Commentaren bij de verkoop van de Mona Lisa aan koning Frans I

Commentaren bij de verkoop van de Mona Lisa aan koning Frans I

Om te zoeken naar het antwoord op de vraag wanneer en hoe de Franse koning in het bezit gekomen is van de Mona Lisa worden behalve de teksten van Giorgio Vasari (1550) en Pierre Dan (1642) ook de inventaris van Salai’s bezittingen (1525) en een rekening uit de Parijse archieven (1518) ter inzage genomen.

1.De teksten:

Wanneer men wil aantonen dat de Mona Lisa in koninklijk bezit was en op die manier in het Louvre terecht gekomen is, verwijst men naar Vasari, die dat schrijft in zijn Vite (zie art. Bronnen die “bewijzen” dat Lisa del Giocondo de Mona Lisa van Leonardo is). Hij zegt echter niets over een “verkoop”.

Pierre Dan beweerde in een beschrijving van de kunstschatten van Fontainebleau  dat Frans I het portret rechtstreeks gekocht had van Leonardo, maar het zal eerder zijn leerling Salai geweest zijn die de Mona Lisa aan de koning verkocht heeft (zie verder). Dat voor het portret de enorme som van 4.000 gouden écus (kronen) betaald werd was waarschijnlijk een leugentje dat er in latere tijden aan toegevoegd werd om te bevestigen dat het wel degelijk om een origineel werk van da Vinci ging. 

2. De kwitantie:

Toen kunsthistoricus Bertrand Jestaz in 1999 een rekening in de Parijse archieven ontdekte waarop vermeld stond dat Frans I in juni 1518 voor 2604 livres tournois, 3 sols et 4 deniers van Salai “enkele schilderijen” gekocht had werden datum en som meteen duidelijk. Hoewel er op de kwitantie geen aantal en ook geen naam van de werken vermeld staat, mag men er toch vanuit gaan dat het hier ging om de verkoop van de 3 schilderijen die Antonio de Beatis bij zijn bezoek aan Leonardo gezien had (de Mona Lisa, Johannes de Doper en Sint Anna ten Drieën) en die alle 3 beland waren in de Koninklijke Collectie.
Die 2604 livres tournois zouden het equivalent zijn van 868 (en geen 4.000!) gouden écus wat nog altijd een zeer groot bedrag was voor “enkele schilderijen”. Dat zou dan betekenen dat de Franse koning 2604 livres tournois betaald had voor 3 originele da Vinci’s. Dat was beduidend meer dan het jaarlijks pensioen (van ca. 2.000 livres) dat Leonardo van de koning kreeg.

3.De inventaris:

In de inventaris van het bezit van Leonardo’s leerling Salai wordt er niet gesproken over een verkoop, maar over de schilderijen die hij op het einde van zijn leven in bezit had (zie fig.1). Na het overlijden van Salai (Gian Giacomo Caprotti) op 19 januari 1524 (Juliaanse kalender) werd er naar aanleiding van de verdeling van zijn nalatenschap onder zijn erfgenamen (zijn 2 zussen) een inventaris van zijn bezittingen gemaakt. De akte werd opgesteld door notaris Pietro Paolo Crevenna op 21 april 1525 en bevindt zich in het Archivio di Stato di Milano. In 1991 werd het document gepubliceerd door Janice Shell en Grazioso Sironi.
In de inventaris staan 12 werken genoteerd waarvan de bekendste la Leda, Sant’Anna, Giovanni Battista, Cristo in modo de un Dio Padre en la Joconda waren..  Het schilderij van Leda (en de Zwaan) zou verloren gegaan zijn, de Sant’Anna zou de Madonna met het Kind en Sint Anna (uit het Louvre) zijn, Giovanni Battista zou de Johannes de Doper (met de wijzende vinger, eveneens uit het Louvre) zijn en de Christus zou misschien de Salvator Mundi kunnen zijn die in 2017 geveild werd.

 Fig.1 Hoofd van Leda (Leonardo, Royal Collection, Windsor)                 

Van la Joconda uit Salai’s inventaris wordt beweerd dat het de Mona Lisa van het Louvre is, maar de naam Lisa wordt in de inventaris helemaal niet vermeld. Er wordt enkel gesproken over la honda of la Joconda. Wat wel vermeld wordt is de geschatte waarde van de werken: 100 scudi voor la Joconda, 100 scudi voor la Sant’ Anna, 80 scudi voor il Giovanni Battista en 200 scudi voor  la Leda.
Deze sommen staan op het eerste gezicht in schril contrast met de verkoopsom van 2604 livres die op de rekening uit 1518 genoteerd werd, maar zijn toch niet gering te noemen (zie verder). Van de verdwenen Leda en de Zwaan zijn voorbereidende tekeningen van Leonardo bewaard (zie fig.1).

Fig.2 La Mezza Nuda (atelier van Leonardo, Musée Condé Chantilly).

Eén van de werken van de inventaris wordt aangeduid als Mezza Nuda (“halfnaakt”) en dat zou (volgens Maike Vogt) de Mona Vanna (“de IJdele dame”) kunnen zijn, de houtskooltekening uit het Musée Condé van Chantilly die dateert uit 1514-16. Waarschijnlijk is het een portret van Salai met een gelaat en handen die doen denken aan de Mona Lisa vandaar dat het soms ook  la Joconde Nue genoemd wordt. Het werd slechts geschat op 25 scudi en dat zal niemand verwonderen want een topwerk is het zeker niet… (zie fig.2). Wellicht was het bedoeld als een erotische knipoog naar de echte Gioconda en hebben Leonardo en zijn atelier er hartelijk kunnen om lachen.  In de Hermitage van Sint-Petersburg is ook een geschilderde versie bewaard.

4. Originelen of kopieën:

Indien Frans I de Mona Lisa (en de andere werken) reeds in 1518 gekocht heeft (het Musée du Louvre bekrachtigt dat zelf ook) zoals blijkt uit de rekening, kunnen ze nog moeilijk in de inventaris van Salai uit 1525 terug te vinden zijn, tenzij dat kopieën geweest zijn. Dat wordt bevestigd door Jan Sammer, die beweert dat de werken uit de inventaris allemaal schilderijen van Salai zelf geweest zijn, weliswaar naar originele voorbeelden van Leonardo.
Maar het is ook niet uitgesloten dat het een gemengde collectie was van werken van Leonardo en werken  van zijn leerlingen, wat een exacte identificatie nog meer bemoeilijkt. Het maken van kopieën of eigen versies waren schering en inslag in het atelier van de meester en een zeer goede kopie zou evengoed op 100 scudi kunnen geschat worden.

Men neemt aan dat de zussen van Salai, Angelina en Lorenziola Capriotti, de werken dan geleidelijk aan verkocht zullen hebben, zodat ze over de wereld verspreid zijn geworden. In dat verband acht Jan Sammer het mogelijk dat de Joconda van de inventaris de Mona Lisa van het Prado in Madrid een atelierversie van Salai of Melzi zou kunnen zijn (uit 1503) die in het bezit van het Spaanse koningshuis gekomen is (zie art. De Mona Lisa uit het Prado van Madrid).

Maar indien de werken uit de inventaris echter originelen van Leonardo waren zou het dus zomaar kunnen dat de Mona Lisa uit het Louvre en de andere werken kopieën zijn van Salai of andere leerlingen.
Hier moet echter meteen aan toegevoegd worden dat Leonardo-experten zoals Martin Kemp, Pietro Marani en Frank Zöllner er van overtuigd zijn dat  de Mona Lisa een origineel werk is van de meester omwille van de uitzonderlijke technische kwaliteiten van het portret.

Ook het testament van Leonardo (23 april 1519) brengt geen klaarheid in de zaak; zijn leerlingen Melzi en Salai waren zijn erfgenamen, maar er wordt geen enkel kunstwerk bij naam genoemd. Men denkt dat Melzi zijn boeken, documenten en wetenschappelijk werk kreeg en dat de schilderijen voor Salai waren (zie de inventaris?).
Soms werd ook beweerd (o.a. door Jean Paul Richter) dat het Francesco Melzi was die de bewuste schilderijen pas veel later verkocht heeft aan het Franse koningshuis, maar dat wordt weerlegd door de kwitantie. Dat Frans I het portret rechtstreeks van Francesco del Giocondo zou gekocht hebben wordt tegenwoordig ook afgedaan als een fabeltje. Dan zou Francesco het werk in zijn bezit moeten gekregen hebben na de dood van Leonardo en daar is geen enkel bewijs voor. 

Het waanzinnig hoog bedrag van 4.000 écus (alleen al voor de Mona Lisa) is wellicht een fictief bedrag waarmee men wilde bevestigen dat het een origineel werk van Leonardo betrof (waar dus blijkbaar toch aan getwijfeld werd?).
Omrekenen blijft altijd een moeilijke oefening en kan fouten bevatten, maar als de scudo uit de inventaris een rekenmunt is, kwamen 100 Milanese scudi overeen met 400 à 450 livres tournois. Dan bleef de aankoopsom van 2604 livres tournois nog altijd een stuk hoger dan de geschatte waarde indien het over 3 werken ging, maar als het bijvoorbeeld 6 werken waren plus een aantal tekeningen of bijkomende kosten, dan was de prijs in overeenstemming met de inventariswaarde en valt het argument weg dat de prijs alleen al kon aantonen dat het originele werken van Leonardo waren. In totaal bedroeg de geschatte inventariswaarde voor de 12 schilderijen 645 scudi.

Besluit:

De rekening uit de Archives Nationales ondersteunt het verhaal van de verkoop, maar kan niet voor 100% garanderen (er wordt geen namen van werken genoemd) dat Leonardo’s Mona Lisa (of Joconda) reeds in 1518 in koninklijk bezit was en op die manier in het Louvre terecht gekomen is. Men kan het (o.a. volgens Sammer) echter wel veronderstellen.

De ontdekking van de kwitantie heeft de inventaris van Salai alleszins in een ander daglicht geplaatst, want de opgesomde werken zouden dan geen originelen van Leonardo geweest zijn, aangezien die reeds enkele jaren in de koninklijk collectie te vinden waren.
Men mag hierbij niet uit het oog verliezen dat Leonardo en zijn leerlingen meestal samen aan schilderijen werkten en dat het onderscheid tussen een “echte da Vinci” en een kopie (of beter gezegd een atelierversie) niet altijd zeer duidelijk was. Een vergelijking tussen de Mona Lisa uit het Louvre en de Mona Lisa uit het Prado laat daar geen twijfel over bestaan. Tijdens zijn laatste levensjaren was de inbreng van de leerlingen zelfs groter (zie art. In welke mate heeft Leonardo’s verlamde rechterhand zijn  artistiek oeuvre beïnvloed?).

JVL



Comments on the sale of the Mona Lisa to King Francis I 

In order to find the answer to the question of when and how the French king came into possession of the Mona Lisa,  one has to examine texts by Giorgio Vasari (1550) and Pierre Dan (1642), the inventory of Salai's possessions (1525) and an account from the Paris archives (1518).  

1.The texts:

If one wants to prove that the Mona Lisa was in royal possession and thus ended up in the Louvre, one refers usually to Vasari, who wrote this in his Vite (see art. Sources providing “proof” that Lisa del Giocondo was Leonardo’s  Mona Lisa). However he said nothing about a “sale”.

Pierre Dan claimed in his description of the art treasures of Fontainebleau that Francis I bought the portrait directly from Leonardo, but is was his pupil Salai who sold the Mona Lisa to the king (see below). The remark that an enormous sum of 4,000 golden crowns was paid for the painting was probably a white lie that was added in later times to confirm that it was indeed an original work by da Vinci.

2. The receipt:

When art historian Bertrand Jestaz discovered a document in the Paris archives in 1999 stating that Francis I had bought "a few paintings" in June 1518 for 2604 livres tournois, 3 sol and 4 deniers from Salai, date and sum were no longer a secret. Although there is no total number or name of the works on the receipt, one can assume that this had to do with the sale of the 3 paintings that de Beatis had seen during his visit to Leonardo (the Mona Lisa, Saint John the Baptist and Saint Anne) and that precisely those 3 works that ended up in the Royal Collection.

Those 2604 livres tournois  would be the equivalent of 868 (and not 4,000!) gold écus which was still a very large amount for "a few paintings". That would mean that the French king had paid 2604 livres for 3 original da Vinci's which was almost as much as the annual pension that Leonardo received from the king.

3.The inventory:

In the inventory of the possessions of Leonardo's pupil Salai, there is no mention of a sale, but of the paintings he owned at the end of his life.
After the death of Salai (Gian Giacomo Caprotti) on January 19, 1524 (Julian calendar), an inventory of his possessions was made on the occasion of the division of his estate among his heirs (his 2 sisters). The deed was drawn up by notary Pietro Paolo Crevenna on April 21, 1525 and kept in the Archivio di Stato di Milano. In 1991, the document was published by Janice Shell and Grazioso Sironi.

The inventory lists 12 works, the most famous of which were la Leda, Sant'Anna, Giovanni Battista, Cristo in modo de un Dio Padre and la Joconda. 
The painting of Leda (and the Swan) would have been lost, the Sant'Anna would be the Madonna and Child and Saint Anne (from the Louvre), Giovanni Battista would be the John the Baptist (with the pointing finger, also from the Louvre) and the Christ could perhaps be the Salvator Mundi that was auctioned in 2017.

La Joconda from Salai's inventory is claimed to be the Mona Lisa of the Louvre, but the name Lisa is not mentioned at all in the inventory. There is only talk of la honda or la Joconda. What is clearly mentioned however is the estimated value of the works: 100 scudi for la Joconda, 100 scudi for  la Sant'Anna, 80 scudi for il Giovanni Battista and 200 scudi for la Leda.
At first glance, these sums are contrary to the sales price of 2604 livres that was recorded on the account from 1518, but they are nevertheless not that small (see below). Preparatory drawings by Leonardo of  the lost Leda painting have been preserved in Windsor (see fig.1).

One of the works in the inventory is referred to as Mezza Nuda (“half naked”) and that portrait could then be identified (according to Maike Vogt) with the Monna Vanna (“the Vain Lady”), a charcoal drawing from the Musée de Condé in Chantilly that dates from 1514-16. It is probably a portrait of Salai with the face and hands reminiscent of the Mona Lisa which is why it sometimes called la Joconde Nue. It was only estimated at 25 scudi and it certainly is no masterpiece..(see fig.2). Perhaps it was intended as an erotic nod to the real Gioconda and Leonardo and his studio had a hearty laugh about it. A painted version has been preserved in the Hermitage of Saint-Petersburg.

4. Originals or copies:

When King Francis bought the Mona Lisa (and the other works) as early as 1518 (the Musée du Louvre confirms this) as the account shows, they can hardly be present in Salai's inventory from 1525, unless they were copies. This is asserted by Jan Sammer, who claims that the works in the inventory were all paintings by Salai, albeit after original examples by Leonardo. But it is also not excluded that is was a mixed collection of works by Leonardo and works by his pupils which makes an identification even more difficult. Making copies or own versions of paintings was common practice in those days and a very good copy could just as well be estimated at 100 scudis.

It is assumed that Salai’s sisters, Angelina and Lorenziola Capriotti would have gradually sold the works, what caused their scattering over the world. In this context, Jan Sammer considers it possible that la Joconda from the inventory could be the Mona Lisa of the Prado in Madrid, a studio version by Salai or Melzi (from 1503) that came into the possession of the Spanish royal family (see fig.3).

However, if the works in the inventory were originals by Leonardo, it could just be that the Louvre-Mona Lisa and the other works are copies by Salai or other pupils But Leonardo experts such as Martin Kemp, Pietro Marani and Frank Zöllner are convinced that the Mona Lisa is an original work by the master because of the exceptional technical qualities of the portrait 

Leonardo's will (23 April 1519) does not shed light on the matter either; his pupils Melzi and Salai were his heirs, but not a single work of art is mentioned by name. It is thought that Melzi received his books, documents and scientific work and that Salai inherited the paintings (see the inventory?).

Sometimes it is also claimed (by Jean Paul Richter among others) that it was Francesco Melzi who many years later sold the paintings in question to the French royal family, but this is refuted by the receipt. The story that Francis I bought the portrait directly from Francesco del Giocondo is nowadays dismissed as a fable In that case Francesco should have been in possession of the works after Leonardo’s death and there is no evidence for this due to a lack of documents.

The exorbitant sum of 4,000 golden écus (crowns), for the Mona Lisa alone, was more than likely a fictional amount that was supposed to confirm that it was an original work by Leonardo (a claim that was apparently questioned in those days?).
Currency conversion is always a difficult exercise and can contain errors, but if the scudo from the inventory is money of account, 100 Milanese scudi corresponded to 400 to 450 livres tournois. Then the purchase price of 2604 livres tournois still remained a lot higher than the estimated value if it concerned 3 works, but if, for example, it referred to 6 works plus a number of drawings or additional costs, then the price was in line with the inventory value and the argument that the price alone could prove that they were original works by Leonardo is worthless. The total estimated value for the 12 inventory paintings was 645 scudi.

Conclusion:

The receipt from the Archives Nationales supports the story of the sale, but cannot guarantee for 100% (no names of works are mentioned) that Leonardo's Mona Lisa (or Joconda) was already in royal possession in 1518 and thus ended up in the Louvre. However one can assume it (according to Jan Sammer and others).
The discovery of the receipt has certainly put Salai's inventory in a different light, because the listed works could not have been the originals by Leonardo, as these had already been in the Royal Collection for several years. One should not ignore the fact that Leonardo and his pupils usually worked together on paintings and that the distinction between an “original da Vinci” and a copy (or a studio version) was not always very clear. A comparison between the Mona Lisa from the Louvre and the Mona Lisa od the Prado leaves no doubt about that. During the last years of his life, the contribution of his pupils became even greater (see art. To what extend did Leonardo’s paralyzed right hand influence his artistic oeuvre?).

 

Literatuur

Dan, P.                                     Le Trésor des Merveilles de la Maison Royale de Fontainebleau.
                                                Parijs, 1642.
Kemp, M. & Pallanti, G.         Mona Lisa. The People and the Painting.  Oxford, 2017.
Richter, J.P.                             The Literary Works of Leonardo da Vinci.  Londen, 1883.
Sammer, J.                               Salai’s Legacy. In: Leonardo and His Outstanding Circle, 2019, p.167.
Shell, J & Sironi, G.                Salai and Leonardo’s Legacy.
                                               In: The Burlington Magazine, vol.133, nr.1068 (1991).
Van Laerhoven, J.                    zie art. Bronnen die “bewijzen” dat Lisa del Giocondo Leonardo’s
                                                               Mona Lisa is.
                                                 zie art. De Mona Lisa van het Prado in Madrid.
                                                 zie art. Lisa dei Gherardini, Francesco del Giocondo en
                                                           Giuliano de’ Medicii
                                                   zie art. Wie is Leonardo’s Mona Lisa ?
                                                  zie art. In welke mate heeft Leonardo’s verlamde rechterhand zijn    
                                                                artistiek oeuvre beïnvloed?.

Villot, F.                                    Notice des tableaux exposés dans les galleries du Musée
                                                    national du Louvre. Parijs, 1855.
Vogt-Lüerssen, M.                    Maike Vogt-Lüerssen: Wer ist "Mona Lisa"? – kleio.org
 Zöllner, F.                                “Leonardo’s Portrait of Mona Lisa del Giocondo”. In: Gazette des
                                                     Beaux-Arts 121 (1993).