De Geniale Stad (Koen De Vos)
In zijn boek met de ondertitel Waarom Florence zoveel genieën voortbracht in haar gouden vijftiende eeuw geeft de auteur bij aanvang een toelichting bij de titel: een stad kan uiteraard niet geniaal zijn maar haar inwoners kunnen dat wel zijn. Hij presenteert een omschrijving van het begrip genialiteit en zoekt ook naar een verklaring voor het feit dat juist in Firenze op dat moment die genialiteit tot uiting kwam. Met op de achtergrond de internationale situatie en het politiek systeem in Firenze brengt De Vos met een plejade van Florentijnse kunstenaars ode aan de creativiteit van de stad aan de Arno. Hij legt uit wat haar inwoners bedoelden met democratie en geeft een oorzaak voor hun steeds wisselend bestuurlijk systeem. Er wordt aandacht geschonken aan de inbreng van de familie de’ Medici en de stimulerende rol van het kapitalisme tijdens de renaissance. De auteur gaat ook niet voorbij aan het sociaal statuut van de kunstenaars en belicht de openheid van de geesten, die noodzakelijk was voor een dergelijke ontwikkeling en verwijst in dat verband naar het Concilie van Firenze en de oprichting van de Neoplatoonse Academie. De Vos besluit zijn boek, dat zeer vlot leest en bovenal de historische waarheid respecteert, met oorzaken te zoeken voor wat hij noemt “het stilaan uitdoven van de creatieve dynamiek op het einde van de 15de eeuw”. Hij denkt daarbij zowel aan economische, politieke en religieuze factoren.
Persoonlijke noot:
In zijn aanvangspagina’s verontschuldigt De Vos zich voor zijn “bevooroordeeldheid ten opzichte van Italië”, maar dat mag hem zonder aarzeling vergeven worden. Wat hem echter niet in dank kan afgenomen worden is dat hij bij een opsomming van andere creatieve gemeenschappen en cultuurcentra zoals Athene, Amsterdam, Wenen en Parijs het Antwerpen van de 16de eeuw vergeten is te vermelden…
JVL
De Geniale Stad is uitgegeven bij Ambo/Anthos in Amsterdam in 2019.
Kristine Cafmeyer vroeg mij of er bijen of wespen rond het hoofd van Mars (art. Botticelli: Venus & Mars) zwermen.
antwoord: er is een biologisch verschil tussen een wesp en een bij, maar dat is moeilijk te zien op het schilderij. Indien het wespen zijn kan het verwijzen naar de familie Vespucci als opdrachtgevers. Indien het bijen zijn misschien naar de familie d’Appiano. Het is best echter mogelijk dat Botticelli, net zoals ik trouwens, zelf niet goed het verschil kende.
Tinneke Beeckman. Machiavelli’s Lef. Levensfilosofie voor de vrije mens.
Afgaande op de titel, Machiavelli’s lef wordt het lef (dat hij ongetwijfeld in grote mate bezat) slechts af en toe en op verschillende plaatsen in het boek vermeld. Wat de ondertitel betreft Levensfilosofie van de vrijheid kan de lezer hoofdzakelijk terecht in het laatste deel van het boek. Het begrip vrijheid (in zijn huidige context en in de Machiavelliaanse betekenis) wordt zeer goed omschreven net zoals trouwens de begrippen necessità, virtù, fortuna, gloria en occasio, die essentieel zijn in Niccolò’s denken.
In haar voorwoord geeft Beeckman een verklaring voor de onverwachte link met Spinoza en de slechte reputatie die Machiavelli in de loop der tijden gekregen heeft. Zij doet er goed aan van meteen te wijzen op het verschil tussen Niccolò’s, il Principe en de Discorsi, waarin tegenstrijdige opvattingen over de politieke systemen aan bod komen. Wegens de complexiteit van Machiavelli’s gedachtengoed is een opdeling van het boek in 5 delen geen slecht idee en de auteur heeft gelijk wanneer zij stelt dat men moet oppassen voor commentatoren die enkel een selectieve keuze uit zijn teksten maken.
Uitspraken van Machiavelli worden op gepaste wijze ondersteund en geïllustreerd door citaten uit zijn werken, maar soms is historische uitleg noodzakelijk en moeten figuren als Lorenzo il Giovane (Urbino), Lorenzo di Piero il Magnifico, Giuliano di Lorenzo (Nemours), Piero di Lorenzo lo Sfortunato voor lezers, die minder vertrouwd zijn met de familie de’ Medici, duidelijk benoemd en gesitueerd worden. Machiavelli heeft zijn il Principe (best vertaald als de Heerser) opgedragen aan de jongste zoon van il Magnifico, Giuliano, maar toen die overleed in 1516 aan Lorenzo il Giovane, de kleinzoon van il Magnifico. Hierbij mag niet uit het oog verloren worden dat Niccolò, die dat soort praktijken veroordeelde in zijn Discorsi, zelf toepaste in zijn il Principe toen hij op zoek was naar rehabilitatie. Machiavelli was in 1512 ontslagen uit al zijn functies en werd na zijn gevangenschap (en foltering) in verband met zijn vermeende deelname aan een samenzwering tegen de Medici in 1513 verbannen uit het Palazzo Vecchio. Op het einde van zijn leven kreeg hij zijn eerherstel van paus Clemens VII, dat hij eerder te danken had aan zijn kluchtspelen dan aan zijn politieke geschriften.
Vergelijkingen met actuele toestanden en verwijzingen naar filosofen en literatoren, filmsterren en politici kunnen interessant zijn, maar soms gaat Beeckman onnodig ver op wandel met de lezer, die al lang terug naar Machiavelli wil. Sommige vergelijkingen zijn trouwens goed gekozen, andere dan weer minder. De citaten uit de klassieke auteurs hebben hun plaats want zij werden aangevoerd door Machiavelli zelf.
Beeckman zegt dat Machiavelli niet bitter of rancuneus was, maar in al zijn werken en brieven laat hij geen kans voorbij gaan om te melden dat hij door zijn afkomst benadeeld was en dat hij weinig of geen dank gekregen heeft voor zijn geleverde diensten aan zijn vaderstad. Machiavelli behoorde tot wat men zou kunnen noemen de hogere middenklasse, maar omdat zijn vader problemen had in verband met zijn illegitimiteit, waren Bernardo en zijn zoon Niccolò uitgesloten van de magistratuur. Als Machiavelli het dus heeft over de gelijkheid van alle burgers en de noodzaak om bekwaamheid te verkiezen boven rijkdom is hij voor zijn eigen persoontje aan het pleiten. Er kan trouwens niet genoeg verwezen worden naar het privéleven van Machiavelli, want zonder de kennis daarvan is zijn gedachtengoed moeilijk te vatten. Als men dat privéleven van Machiavelli nauwkeuriger onder de loep neemt, zal men ook ontdekken dat hij het niet kon nalaten om af en toe eens na te trappen: dat doet hij o.a. bij Savonarola en bij zijn goede vriend gonfaloniere (banierdrager) Piero Soderini.
Wanneer Beeckman verwijst naar Machiavelli’s “democratische” gedachten, mag men daarbij niet vergeten dat Niccolò met gelijkheid voor de burgers enkel vrije bekwame mannen (en geen vrouwen of slaven) bedoelde. Wanneer hij het had over “het volk” was dat dus zeker niet iedereen.
Beeckman hecht slechts weinig belang aan Machiavelli’s Dell’Arte della Guerra (zijn boek over de Krijgskunst) dat nochtans samen met de Discorsi en il Principe behoort tot zijn politiek testament. Uit zijn Dell’ Arte della Guerra blijkt immers nog meer dat hij in feite een nationalist en een patriot was die slechts één doel voor ogen had, namelijk de eenmaking van Italië en de verdrijving van de vreemde bezetters. Dat ideaal beheerst ook zijn ganse politiek denken.
De auteur heeft gelijk wanneer zij schrijft dat Machiavelli, uit voorzichtigheid, sommige uitspraken ging overdrijven of ze op een sarcastische wijze ging weergeven, iets wat zijn lectuur voor hedendaagse lezers misschien wat moeilijk maakt. Zij benadrukt terecht dat Machiavelli geenszins bedrog en leugens propageerde (het kon soms wel nodig zijn) en dat Cesare Borgia toch niet “zijn” ideale heerser bleek te zijn, omdat hij alleen op de fortuin rekende.
In haar conclusie, die zij eigenlijk reeds op een zeer geslaagde synthetische manier gemaakt heeft op het einde van deel 4, gaat Beeckman vooral in de laatste alinea nogmaals in op de begrippen virtù en fortuna. Zij eindigt het boek op een gepaste wijze met een aantal suggesties, die Machiavelli aan burgers en politici (van alle tijden) zou kunnen gegeven hebben.
Beeckman voert aan dat het toepassen van Machiavelli’s ideeën op de hedendaagse welvaartstaat misschien een goed idee zou kunnen zijn, maar tegelijkertijd ook een zeer complexe onderneming. Dat zou echter voor de lezer juist heel interessant kunnen worden. Zij geeft slechts één voorbeeld wanneer zij stelt dat het uitzichtloze van een langdurig opvangsysteem kan leiden tot zelfgenoegzaamheid en “de noodzaak” voor de betrokkene wegneemt. Maar hoe zou Machiavelli bijvoorbeeld in verband met “de noodzaak” en een crisis het probleem van de migratie aangepakt hebben? Hoe zou hij gestaan hebben tegenover het falen van Europa en de bestrijding van een pandemie (hij had zelf pestepidemieën meegemaakt) ? Wat zou hij gedacht hebben van het groeiend fundamentalisme en de polarisering? Vooral als het antwoord op al deze vragen vanuit filosofische hoek komt zou dat heel boeiende lectuur kunnen opleveren, maar dat is wellicht stof voor een volgend boek?
JVL
Het boek is uitgegeven bij Boom Uitgevers Amsterdam, 2020.
Frits Schetsken reageerde op het artikel over Lodovico Guicciardini
Waarschijnlijk is het je al bekend, maar het staat nog niet zo in je verder wel complete artikel over Lodovico. De grafsteen is uit de kathedraal verwijderd door Napoleon Bonaparte. Kort voor zijn komst hadden de aanhangers van de Franse Revolutie alle kerken gesloten, op de Carolus Borromeus na, die als tempel van de Rede dienst deed. Toen Napoleon Bonaparte naar Antwerpen kwam was de kathedraal dus niet in gebruik voor godsdienstige vieringen. En hij zocht een grote paardenstal voor zijn leger en zag in de kathedraal de nodige ruimte. Maar daarvoor moesten alle grafzerken wel verwijderd worden, want die paarden moesten op zand staan. Daardoor is ook de grafzerk van Lodovico toen verdwenen en in stukken geslagen. De grafzerken die je vandaag in de kathedraal ziet liggen komen grotendeels uit andere kerken. Want toen Napoleon enige jaren later een concordaat met de paus sloot, mochten de kerken opnieuw open. En om een nieuwe vloer in de kathedraal te leggen is toen aan de andere Antwerpse kerken gevraagd om enkele grafstenen uit hun kerken ter beschikking te stellen. Daardoor liggen er nu in de kathedraal veel grafzerken waarop namen staan van mensen die daar helemaal niet onder begraven liggen. Dus zoeken naar de grafsteen van Guicciardini is inderdaad vruchteloos, die is er niet meer.
Joren Vermeersch Vlaanderens waanzinnigste eeuw 1297-1385
In “Vlaanderens waanzinnigste eeuw 1297 - 1385” heeft Joren Vermeersch, zoals op de achterzijde van zijn boek vermeld staat, in een wervelende romanstijl de geschiedenis van Vlaanderens 14de eeuw vanuit het oogpunt van de kleine man beschreven.
De auteur vertelt inderdaad op een zeer levendige manier de belevenissen van de gewone sterveling die de rampzalige gebeurtenissen van die periode, oorlog, pest, hongersnood en dood (cfr.de 4 ruiters van de Apocalyps) moest ondergaan. Hij geeft een geanimeerde beschrijving van het leven in de Vlaamse steden waar de mensen ondanks al deze rampspoed het hoofd boven water moesten zien te houden en hoe zij op die situatie reageerden.
Interessant is de link met Italië die gelegd wordt door het verhaal over Petrarca en Lodewijk Heiligen en het relaas over de innoverende commerciële activiteiten van de Italiaanse kooplui en hun aanwezigheid in het Brugse Huis ter Beurze.
Het boek leest als een trein, maar men moet er rekening mee houden dat het een mix is van fictie en non-fictie. Als men geen probleem heeft met de decoratieve taal en de literaire verfraaiingen, die rond de historische feiten geweven zijn, (het verhaal van de Guldensporenslag begint met de “cantate van een leeuwerik onder wiens vleugels zich hoog in de blauwe lucht duizenden strijders verzameld hadden..”) is het boek een echte aanrader. Voor de geïnteresseerde lezer zijn de eindnoten in het boek bijzonder nuttig.
Maar er is mijns inziens duidelijk iets fout gegaan bij de keuze van de titel. Er wordt hier immers een knipoog gegeven naar Barbara Tuchmans bekende boek uit 1978 waarvan de originele en volledige titel echter luidt “A Distant Mirror: The Calamitous 14th Century”. Men heeft toen al een onvolledige en zelfs verkeerde Nederlandse vertaling (“De waanzinnige 14de eeuw”) van Tuchmans boek op de cover gezet waarbij men duidelijk het sensationele effect van de titel op het oog had. “Waanzinnig” klinkt blijkbaar beter dan “rampspoedig”.
Met die verkeerde Nederlandse vertaling heeft men Tuchman trouwens te kort gedaan want in de titel zat de bedoeling van het werk vervat: zij hield de lezer een “verre spiegel voor van de rampzalige 14de eeuw” die hoofdzakelijk veroorzaakt was door de kortzichtigheid van de leiders en het falen van het systeem en ook een reflectie was van haar eigen tijd, met name het laatste kwart van de vorige eeuw. In de meeste andere talen is de volledige titel van het boek trouwens behouden gebleven.
Men kan zich verder afvragen waarom er voor de titel van het boek van Vermeersch dan ook nog eens geopteerd werd voor “Vlaanderens waanzinnigste eeuw” want die 14de eeuw was niet rampspoediger dan de vorige of de latere eeuwen met oorlog, ziekte, hongersnood, natuurrampen, religieuze excessen, fobieën, politieke instabiliteit, economische crises en chaos. Een andere titel was misschien toch beter geweest.
JVL
Het boek is uitgegeven bij Borgerhoff-Lamberigts in Gent 2023.