Markgraaf Ugo, de grote baron en de kerkenbouwer van Toscane

Markgraaf Ugo, de grote baron en de kerkenbouwer van Toscane

Het Italië van de 2de helft van de 10de eeuw werd gekenmerkt door een grote feodale versnippering, een dynastieke instabiliteit en een duidelijke poging van de Ottonen om het keizerlijk gezag te herstellen. Toscane was één van de kernregio’s van Italië en de steun van de markgraaf was van essentieel belang voor het koning-en keizerschap. Karel de Grote had van het Langobardische Toscane of Tuscië een markgraafschap gemaakt dat in 812 met Bonifatius I van Lucca zijn eerste vertegenwoordiger kreeg.

Fig.1 Ugo van Toscane (Cristofano Allori, 1590, Uffizi).

Toen Hugo van Arles (Ugo di Provenza) koning van Italië werd in 926 benoemde hij zijn broer Boso van Arles, die reeds graaf van de Provence was, ook tot markgraaf van Toscane. Hij werd in 937 opgevolgd door Umberto, de bastaard van Hugo, die door zijn huwelijk (in 943?) met Willa, de dochter van Bonifatius van Spoleto tevens hertog van Spoleto en Camerino werd. Hun zoon was Ugo, die de geschiedenis ingegaan is als de “grote baron” van Toscane (zie fig.1).

Na de dood van Umberto in 970 was Ugo samen met zijn moeder vanuit Lucca (de hoofdstad van het markgraafschap waar hij ca. 950-953 geboren werd) naar Firenze gekomen, dat toen ongeveer 10.000 inwoners telde en dat hij omwille van de strategische ligging en het economisch potentieel verkoos boven het traditionele Lucca.
Op de Italiaanse en internationale politieke scène heeft hij altijd de kaart van zijn Ottoonse suzereinen getrokken en dat heeft hem uiteindelijk geen windeieren gelegd. Zijn machtsgebied strekte zich op een bepaald moment uit van de Tirreno tot de Adriatico, want hij was in 989 ook weer hertog van Spoleto geworden (zie fig.2).
Ugo was getrouwd met Giudetta (Judith) de dochter van Bertold, hertog van Karinthië en verwant met het Huis der Ottonen. Zij hadden een dochter, Willa, die gehuwd was met Ardicino, de markgraaf van Ivrea en de zoon van de koning van Italië, Arduino van Ivrea (1).
Ugo’s zus Gualdrada was op keizerlijk verzoek in het huwelijk getreden met de Venetiaanse doge Pietro Candiano, die echter tijdens een opstand in 976 gedood werd. Samen met haar dochtertje Marina vond zij bescherming aan het hof van haar broer.

Fig. 2 Italia 1000 (Fatti per la Storia/World History Encyclopedia)

Ugo’s levensloop, die in vele kronieken beschreven werd, is een mengeling van de historische waarheid en een aantal legenden die hem in een zeer positief daglicht geplaatst hebben.
In de 14de-eeuwse kroniek van Giovanni Villani is het verhaal van het visioen te lezen. Wanneer Ugo, die tijdens zijn jeugd een vrij losbandig leven had geleid, tijdens een jachtpartij verdwaald geraakt was in een bos in de buurt van de Monte Senario, kreeg hij een vreemde verschijning. Enkele duivelse demonen, die een man aan het folteren waren (bij wijze van afschrikkend voorbeeld) wisten hem te vertellen dat zijn ziel nog nauwelijks te redden was en dat hij enkel nog vergeving van zijn zonden kon krijgen door 7 kloosters te bouwen. Daarop zorgde de markgraaf  voor de stichting van de Badia di Santa Maria van Firenze, de kloosterkerk van San Michele alla Verruca, de abdij van Buonsollazzo, de Abbazia dei Santi Salvatore e Lorenzo a Settino in Scandicci, de Badia di San Michele a Marturi van Poggibonsi en een kloosterkerk in Arezzo en één in Città di Castello.
In een ander verhaal (van Piero Damiani uit 1060) wordt beweerd dat Ugo als kind de eer van zijn moeder gered had toen zij van overspel beschuldigd werd. Na een lange afwezigheid (een ballingschap na een conflict met Berengarius II van Ivrea?) was Umberto teruggekeerd naar Lucca, waar hij verwelkomd werd door zijn vrouw en een zoontje, waarvan hij het bestaan niet kende. Willa beweerde dat zij nog maar net zwanger was toen hij vertrokken was, maar om alle twijfels weg te nemen wilde hij dat de kleine Ugo zijn vader, die hij nog nooit gezien had, zou aanwijzen in een grote zaal gevuld met voor hem onbekende mensen. Zonder aarzelen en afgaande op zijn gevoel stapte Ugo op Umberto af en bevestigde daarmee diens vaderschap (2). Indien nodig kon er natuurlijk ook nog altijd van een miraculeuze zwangerschap gesproken worden, maar voor Umberto was de zaak opgelost.  Het waren dat soort verhalen die de integriteit, het juiste oordeelsvermogen en de betrouwbaarheid van Ugo in de verf moesten zetten.

In 983 werd Otto III (toen hij amper 3 jaar oud was) keizer en koning van Italië. Wanneer hij 3 jaar later naar Rome kwam moest hij afrekenen met de weerstand van de Romeinse patricische families (o.l.v. de familie Crescenzi) die van zijn minderjarigheid gebruik wilden maken om hun autonomie ten opzichte van de “Duitse” keizers te bevestigen. Toen Otto samen met de 2 regentessen, Theophanu (zijn moeder) en Adelheid van Boergondië (zijn grootmoeder) de wijk moest nemen naar zijn villa op de Aventijn kwam Ugo van Toscane hem ter hulp. Wanneer dan Paus Johannes XV (lid van de Crescenzi), die zich steeds verzet had tegen de keizerlijke inmenging van  Otto I en Otto II, kwam te overlijden had de jonge keizer (op advies van Ugo?) zijn neef, Gregorius V (Bruno van Karinthië), in 996 laten verkiezen als nieuwe paus.

Fig.3 Otto III en San Nilo (Domenichino, Grottaferrata)

Ugo zorgde er ook voor dat de keizer niet vergat om zich als een voorbeeldig christen te gedragen. Toen hij in het jaar 1000 tijdens een pelgrimstocht passeerde in de buurt van Gaeta onderhield Otto III zich daar met Nilo van Rossano (San Nilo) en het volgende jaar had hij in Tivoli een ontmoeting met Romualdus van Ravenna, de stichter van de Camaldolese orde. Van de eerste gebeurtenis heeft Domenico Zampieri een schilderij gemaakt dat bewaard wordt in de Farnesekapel van de abdij van Grottaferrata (zie fig.3). Eén van de ridders die voor de nodige bijstand zorgt is zeer waarschijnlijk markgraaf Ugo.

Toen in 993 Landenolfo de heer van Capua vermoord werd was zijn familielid graaf Transmundo van Chieti de stad gaan belegeren. In opdracht van Otto III werd Ugo als keizerlijk gezant naar Capua gestuurd om de graaf van Chieti te gaan helpen om rust en de orde te herstellen. De inwoners van Capua leverden zonder verzet de moordenaars uit en Ugo liet ze allemaal ophangen. Er wordt nogal eens getwijfeld aan het militaire optreden van Ugo en vele auteurs zien hem eerder als een keizerlijk raadgever en diplomaat die groot respect afdwong bij vriend en vijand.

Daarom ook dat hij 9door Dante Alighieri il gran barone genoemd wordt, waarbij het woord baron niet verwijst naar een titel maar naar zijn persoonlijkheid en zijn alom gewaardeerd politiek en moreel gezag. Voor Dante is hij een voorbeeld voor zijn eigen 14de-eeuwse tijdgenoten die het met de oude normen en waarden niet meer zo nauw namen. De verzen uit de Divina Comedia zijn ook terug te vinden op een plaquette aan de gevel van de Badia Fiorentina (zie fig.4).

‍ ‍ Fig.4 Tekst van Dante aan de Badia

Iedere familie die op een of andere manier het schitterend blazoen voert van de grote heer wiens
naam en verdiensten jaarlijks op het feest van St.Thomas worden herdacht, ontleenden aan hem hun ridderlijke waardigheid en voorrechten”
 

Fig.5  Graf van Ugo van Toscane (M.da Fiesole, 1481, Badia Fiorentina)

Boven het portaal is ook het wapenschild aangebracht (het blazoen waar Dante het over heeft), dat een voorbeeld geweest is voor vele Florentijnse families (zoals de Giandonati, Pucci, Nerli, Gangalandi en Della Bella). Het is ook zichtbaar op het graf (zie fig.5).
De kerk, die zeer waarschijnlijk gesticht werd door zijn moeder Willa in 978, is herbouwd op het einde van de 13de eeuw door Arnolfo di Cambio en in het midden van de 16de eeuw gerenoveerd door Giorgio Vasari (3).
Binnenin de kerk is het praalgraf van de markgraaf te bekijken. Het werd in 1481 gebeeldhouwd door Mino da Fiesole die in opdracht van de benedictijnen de grote kerkenbouwer een passend eerbetoon wilden brengen. Op 21 december, de sterfdatum van Ugo en het feest van Sint Thomas, wordt er elk jaar nog steeds een misviering gehouden en wordt zijn harnas op de sarcofaag geplaatst (4). Zijn stoffelijke resten bevinden zich in de onderliggende grafkelder.

Ugo van Toscane is een natuurlijke dood gestorven in Pistoia, maar zijn lichaam werd direct na zijn overlijden naar de Badia van Firenze overgebracht. Amper één maand later overleed, op 21-jarige leeftijd, zijn bondgenoot en protegé keizer Otto III in Castel Paterno in de buurt van Rome. Met het verdwijnen van 2 protagonisten kende Italië tijdens de volgende jaren een periode van politieke instabiliteit die de investituurstrijd en de opkomst van de stadstaten vooraf ging.
Na de dood van Ugo’s dochter Willa in 1016 en een machtsvacuüm van 11 jaar werd Bonifatius III van Canossa door keizer Koenraad II in 1027 benoemd tot markgraaf van Toscane. Hij gaf de scepter in 1076 door aan zijn dochter Mathilde, die de Toscaanse erfenis van de grote baron nog meer glans gegeven heeft en hem zelfs overtroffen heeft door keizer en paus naar haar hand te zetten. Toen zij overleed in 1115 betekende dat tevens het einde van het markgraafschap Toscane als één van de machtigste vazalstaten van het keizerrijk.

 

(1)      Volgens sommige auteurs zijn Ugo en Giudetta kinderloos gebleven.
(2)     Berengarius II was koning van Italië in 950 en een vijand van Otto I, toen die nog koning van het Oost-Frankische rijk was. Umberto had de kant van Otto gekozen in een conflict dat pas beëindigd werd in 961 toen Berengarius definitief verslagen werd. Dat betekende een versteviging van het Ottoons gezag in Italië (in 962 werd hij keizer) en een upgrade voor Umberto en zijn dynastie.
(3)      Op het schilderij van Allori heeft Ugo de oorkonde van de stichting van de Badia Fiorentina in zijn handen en een model van het slanke torentje dat dateert van het einde van de 13de eeuw. Arnolfo di Cambio heeft de kerk ook een andere oriëntatie gegeven.
(4)      Dat harnas uit de Renaissance kan nooit toebehoord hebben aan Ugo. Blijkbaar heeft men hem in de latere tijden een grotere militaire rol willen toebedelen. Op het praalgraf zelf wordt hij met zijn zwaard afgebeeld.

 

           Stamboom van Ugo van Toscane

                  Theobaldo van de Provence
         _____________|_________
                   |                                        |
Hugo van Arles              Boso van Arles
    (880-947)          (885-936) x Willa van Boergondië
(koning van Italië)        markgraaf van Toscane
_________|______________
|                                        ¦                                      
Lotharius (925-950)            Umberto (+970)
(koning van Italië)         markgraaf van Toscane & hertog van Spoleto                                       
   x Willa van Spoleto
|
                                    Ugo van Toscane (953-1001)
markgraaf van Toscane & hertog van Spoleto
x Judith van Karinthië

 

JVL

Margrave Ugo, the great baron and church builder of Tuscany

In the 2nd half of the 10th century Italy was characterized by great feudal fragmentation, dynastic instability and a clear attempt by the Ottonians to restore imperial authority. Tuscany was one of the core regions of Italy and the support of the margrave was essential for the kingship and emperorship. Charlemagne had made Lombard Tuscany or Tuscia a margraviate, which got its first representative in 812 with Boniface I of Lucca.
When Hugh of Arles (Ugo di Provenza) became king of Italy in 926, he installed his brother Boso of Arles, who was already count of Provence, as margrave of Tuscany. He was succeeded in 937 by Umberto, the bastard of Hugo, who by his marriage (in 943?) to Willa, the daughter of Boniface of Spoleto, also became Duke of Spoleto and Camerino. Their son was Ugo, gone down in history as the "great baron" of Tuscany (see fig.1). When Umberto died in 970, Ugo and his mother had come from Lucca (the capital of the margraviate where he was born ca. 950-953) to Florence, which then had about 10,000 inhabitants and which he preferred to traditional Lucca because of its strategic location and economic potential.

On the Italian and international political scene, he has always supported his Ottonian suzerains and that has ultimately done him no harm. In 989 his area of power stretched from the Tirreno to the Adriatico, when he was installed as Duke of Spoleto  (see fig.2).
Ugo was married to Giudetta (Judith), the daughter of Bertold, Duke of Carinthia and related to the Ottonian House. They had a daughter, Willa, who was married to Ardicino, the Margrave of Ivrea and the son of the King of Italy, Arduino of Ivrea (1).  Ugo's sister Gualdrada had married the Venetian doge Pietro Candiano at the imperial request, but he was killed during a rebellion in 976. Together with her daughter Marina, she found protection at her brother's court.

Ugo's life, which has been described in many chronicles, is a mixture of historical truth and a number of legends that have placed him in a very positive light.
In the 14th-century chronicle by Giovanni Villani, the story of the vision can be read. When Ugo, who had led a rather dissolute life during his childhood, got lost in a forest near Monte Senario during a hunting party, he had a strange apparition. Some satanic demons, who were torturing a man (as a deterrent example) told him that his soul could hardly be saved and that he could only get forgiveness of his sins by founding 7 monasteries. The Margrave then took care of the foundation of the Badia di Santa Maria of Florence, the monastery church of San Michele alla Verruca, the abbey of Buonsollazzo, the  Abbazia dei Santi Salvatore e Lorenzo a Settino in Scandicci, the Badia di San Michele a Marturi of Poggibonsi and a monastery church in Arezzo and in Città di Castello.
In another story (by Piero Damiani from 1060) it is said that Ugo had saved his mother's honor as a child when she was accused of adultery. After a long absence (an exile caused by a conflict with Berengar II of Ivrea?), Umberto had returned to Lucca, where he was welcomed by his wife and a young son, of which he did not know the existence. Willa claimed that she had become pregnant just before he left, but to dispel any doubts, Umberto wanted little Ugo to point out his father, whom he had never seen before, in a large room filled with people unknown to him. Without hesitation and led by his feelings, Ugo approached Umberto and thus confirmed his paternity (2). If necessary one could always refer to a miraculous pregnancy, but for Umberto the case was closed.  It was stories like that that were supposed to highlight Ugo's integrity, right judgment and reliability.

In 983, Otto III (barely 3 years old) became emperor and king of Italy. When he arrived in Rome 3 years later, he had to deal with the resistance of the Roman patrician families (led by the Crescenzi family) who wanted to take advantage of his minority to confirm their autonomy. When Otto had to flee to his villa on the Aventine Hill together with the 2 regents, Theophanu (his mother) and Adelaide of Burgundy (his grandmother), Ugo of Tuscany came to his aid. When Pope John XV (a member of the Crescenzi), who had always contested the imperial interference of Otto I and Otto II, died, the young emperor (on the advice of Ugo?) had his nephew, Gregory V (Bruno of Carinthia), elected as the new pope in 996.

Ugo also made sure that his emperor did not forget to behave as an exemplary Christian. Passing through Gaeta in the year 1000 during a pilgrimage Otto III spoke with Nilo of Rossano (San Nilo) and the following year he met Romualdus of Ravenna, the founder of the Camaldolese order, in Tivoli. Domenico Zampieri made a painting of the first event that is kept in the Farnese chapel of the Abbey of Grottaferrata (see fig.3). One of the knights who provided the necessary assistance was most likely Margrave Ugo.

When Landenolfo, the lord of Capua, was murdered in 993, his relative, Count Transmundo of Chieti, had laid siege to the city. By order of Otto III, Ugo was sent to Capua as imperial envoy to help the Count of Chieti restore peace and order. The inhabitants of Capua handed over the murderers without resistance and Ugo had them all hanged. Ugo's military actions are often doubted and many authors see him rather as an imperial adviser and diplomat who commanded great respect from friend and foe alike.
That is why Dante Alighieri  calls him il gran barone, where the word baron does not refer to a title but to his personality and his widely appreciated political and moral authority. For Dante, he is an example for his own 14th-century contemporaries who no longer took the old norms and values so seriously. The verses from the Divina Comedia can also be found on a plaque on the façade of the Badia Fiorentina (see fig.4).

"Every family that in one way or another             
Splendid blazon of the great lord whose
name and merits annually on the feast of
St. Thomas are commemorated, derived from him their
chivalrous dignity and privileges"

Above the portal one can see Ugo’s coat of arms (the blazon that Dante is talking about), which has been an example for many Florentine families (such as the Giandonati, Pucci, Nerli, Gangalandi and Della Bella). It is also placed on his grave (see fig.5).The church, which was most probably founded by his mother Willa in 978, was rebuilt at the end of the 13th century by Arnolfo di Cambio and renovated in the middle of the 16th century by Giorgio Vasari (3). Inside the church is the mausoleum of the margrave. It was sculpted in 1481 by Mino da Fiesole who was commissioned by the Benedictines to pay a fitting tribute to the great church builder. On December 21st , the date of Ugo's death and the feast of Saint Thomas, a mass is still celebrated every year and his armour is placed on the sarcophagus (4). His remains rest in the underlying crypt.

Ugo of Tuscany died of natural causes in Pistoia, but his body was taken to the Badia of Florence immediately after his death. Barely one month later, at the age of 21, his ally and protégé Emperor Otto III died in Castel Paterno near Rome. With the disappearance of 2 protagonists, Italy experienced a period of political instability in the following years, which preceded the investiture struggle and the rise of the city-states. Ugo's daughter Willa died in 1016 and after a power vacuum of 11 years, Boniface III of Canossa was appointed Margrave of Tuscany by Emperor Conrad II in 1027. He passed on the sceptre in 1076 to his daughter Mathilda, who made the Tuscan legacy of the great baron even more splendid and even surpassed him by bending the emperor and pope to her will. When she died in 1115, it also meant the end of the Margraviate of Tuscany as one of the most powerful vassal states of the empire.

 

(1)      According to some authors, Ugo and Giudetta remained childless.
(2)      Berengar II was king of Italy in 950 and an enemy of Otto I, who then  was still the king of the East Frankish Empire. Umberto had sided with Otto in a conflict that did not end until 961 when Berengar was finally defeated. This meant a strengthening of Ottoman's authority in Italy (he became emperor in 962) and an upgrade for Umberto and his dynasty.
(3)      In Allori's painting, Ugo has the charter of the foundation of the Badia Fiorentina in his hands and a model of the slender turret that dates from the end of the 13th century. Arnolfo di Cambio has also given the church a different orientation.
(4)      That Renaissance armour could never have belonged to Ugo. Apparently, in later times people wanted to assign him a greater military role. On the mausoleum itself, he is depicted with his sword.

 

Literatuur:

Giovanelli, E.              Firenze: Ugp di Toscane, Marchese simbolo della città. 
The Tuscany Review  (23/12/2012
Imprescia, U.              Alle origini della grandezza di Firenze Ugo Marchese di Toscana ttra storia arte e
leggenda (About ARTONLINE 22/5/2018)
Manarini, E .              Ugo. In: Dizionario biografico, vol. 97 (2020).
Piattoli, R.                  Ugo marchese di Tuscia (Enciclopedia Dantesca, 1970).
Selfe, R.                      Selections from the first nine books of the chronicle of Giovanni Villani.  Londen, 1896.
Van Laerhoven, J .    Florentijnse wandelingen Dl. I & XII (Dante & Mino da Fiesole).  Kermt 2020² & 2018.
                                 zie art. Mathilde van Canossa: historie, legendes en onwaarheden
Vignodelli, G.           Ugo di Provenza, re d’Italia. In Dizionario biografico, vol 97 (2020).