Camillo del Monte een Florentijnse officier in het Spaanse leger van de Nederlanden
Camillo del Monte, een Florentijnse officier in het Spaanse leger van de Nederlanden.
De plundering van Antwerpen en de inname van de stad behoren tot de meest ingrijpende episoden uit de geschiedenis van de 80 Jarige Oorlog. Vele Italiaanse officieren maakten deel uit van het grote Spaanse Leger van Vlaanderen dat sedert 1567 met de komst van de hertog van Alva in de Nederlanden gelegerd was. Zij stonden aan het hoofd van de Italiaanse tercio’s (regimenten), bemand met voornamelijk soldaten uit Genua, Milaan, Napels en Toscane. Eén van die officieren was de Florentijn Camillo Bourbon del Monte a Santa Maria (1).
Van Camillo is een anoniem portret (ca.1600) bewaard in de Medici-villa van Poggio a Caiano. Hij is er afgebeeld als ridder van Santo Stefano en het schilderij behoorde tot de Serie gioviana dei condottieri. (zie fig.1). Het opschrift vermeldt dat hij kapitein was van de infanterie van de Medici en gestorven is in 1599.
Fig.1 Camillus de Montes (Poggio a Caiano).
Camillo had zijn sporen verdiend in de strijd tegen de Turken in Hongarije (1562) en op Malta (1565). Door hertog Cosimo I de’ Medici van Toscane was hij wegens zijn grote verdienste opgenomen in de ridderorde van Santo Stefano en in 1566 vocht hij in de Nederlanden aan de zijde van zijn oudere broer Giambattista en zijn oom Chiappino Vitelli in het Spaanse leger. Aan het hoofd van een groep ruiters en onder het bevel van Sancho d’Avila en Bernardino de Mendoza was hij samen met Giambattista deelachtig aan de belangrijke Spaanse zege op de Mookerheide in april 1574. Op de vooravond van de Spaanse Furie was hij als cavaleriekapitein aanwezig in de citadel van Antwerpen.
Met het plotse overlijden van landvoogd Luis de Requesens in maart 1576 was er een machtsvacuüm ontstaan in de Nederlanden omdat zijn opvolger Juan de Austria pas in november van datzelfde jaar gearriveerd was. Naar aanleiding van verscheidene muiterijen in het Spaanse leger had de Raad van State, die het politieke bestuur naar zich toe had getrokken, het vertrek van de Spaanse troepen geëist. Dat had uiteraard tot spanningen geleid met het militaire bestuur en toen er door de Staten van Brabant eigen troepen gelicht werden beschouwden de koningsgezinden dat als een vorm van rebellie. Wanneer die troepen (Duitsers, Walen en Brabanders) naar Antwerpen gestuurd werden, waar het Spaanse koninklijke garnizoen gelegerd was, kon men zich daar aan een harde confrontatie verwachten (2).
Op 4 november besloot garnizoenscommandant Sancho d’Avila om, samen met een aantal regimenten muiters die hij had laten overkomen uit Aalst, Lier, Breda en Maastricht, vanuit de citadel een aanval te lanceren tegen de Staatse troepen in de stad. De ca. 5.000 ervaren soldaten van het Spaanse leger (waar ook Italianen en andere nationaliteiten deel van uitmaakten) wonnen de straatgevechten tegen het slecht georganiseerde (en deels collaborerende) Staatse leger dat samen met de onvoorbereide stedelijke militie nochtans sterk in overtal was. De plunderingen en de moordpartijen die volgden zijn de geschiedenis ingegaan als de Spaanse Furie.
Fréderic Perrenot, de militaire gouverneur van Antwerpen (en de broer van kardinaal Granvelle), had een aarden wal laten aanleggen om een uitval vanuit de citadel te verhinderen, maar reeds van bij de eerste hostiliteiten moesten de verdedigers wijken.
Camillo del Monte was samen met een groep lichte ruiters via enkele bressen in de wal zeer snel naar het stadscentrum gereden. Naar het schijnt was het zijn bedoeling om vóór de hoofdmacht van de aanvallers de Grote Markt te bereiken en daar de wijk, waar de rijke Italianen woonden, in bescherming te nemen. De Romein Famiano Strada berichtte in zijn “de Bello Belgico”
“…dat Camillus del Monte, aen wien de bestorminge der stadt aldermeest toegeschreven wiert, nadat hij de kooplieden van Florentien vrij gemaeckt en versekert hadde, waer uyt hij groot geldt hadde konnen maken….” (vertaling door Willem van Aelst uit 1655).
Op de Grote Markt raakte Camillo slaags met leden van de stadswacht, die door zijn ruiters op pistoolschoten werden getrakteerd en niet konden verhinderen dat hij de “rijke” buurt rond de kathedraal ging afzetten. Toen de verdedigers van de Grote Markt dan door de hoofdmacht werden aangevallen sloegen zij op de vlucht of zochten hun heil in het stadhuis. Dat laatste was geen goede keuze want de aanvallers staken de omliggende huizen en ook het stadhuis in brand. Vele Antwerpenaren vonden op de Grote Markt de dood met als bekendste slachtoffers burgemeester Jan van der Meeren en enkele schepenen. Er zijn in totaal (na correctie van de destijds overdreven cijfers) tijdens de Furie naar het schijnt toch nog tussen de 6.000 en 8.000 doden gevallen.
Op de zeer bekende prent met het brandend stadhuis worden de gevechten op de Grote Markt tussen aanvallers (met haakbussen) en verdedigers (piekeniers) afgebeeld. Links in de scène verschijnt de aanstormende ruiterij (zie fig.2).
Fig.2 De brand van het stadhuis (Frans Hogenberg, Rijksmuseum A’dam ca. 1579).
Het verhaal gaat dat Del Monte zijn mannen voor de huizen van de Italiaanse families geposteerd had en de plunderaars had aangemaand om liever de huizen van de Engelse en Portugese kooplui een bezoekje te brengen. Hij had ook een aantal Italianen die zich in de Beurs verschanst hadden kunnen evacueren. Toen er overal geplunderd en gemoord werd liet hij vele Italianen (o.a. leden van de families Affaitati, Pasquali, Bonvisi en Guicciardini) onder escorte van enkele ruiters naar de citadel in veiligheid brengen, terwijl hun huizen onaangeroerd bleven. Na de gebeurtenissen hebben zij in de citadel aan de teruggekeerde muiters (en aan hem?) toch nog beschermgeld moeten betalen. Het is duidelijk dat del Monte niet enkel door patriottische motieven werd geleid, maar ook zijn eigen financiële belangen voor ogen had. Dat maakt zijn optreden erg dubieus en voor sommige auteurs is hij niet de “goede Italiaan” die zijn landgenoten wilde beschermen en de Spaanse plunderaars wilde in toom houden (3), maar nog steeds één van de leiders van de aanval die verantwoordelijk waren voor de slachting en de vernielingen.
Op 7 november was de Spaanse Furie voorbij en trokken de meeste plunderaars zich met hun buit terug in de citadel. Reeds op 8 november werd de Pacificatie van Gent gesloten waarbij gestipuleerd werd dat de Spaanse troepen moesten vertrekken uit de Nederlanden. Begin augustus 1577 werd de citadel overgedragen aan een Duits garnizoen dat echter voor 300.000 gulden bereid was te vertrekken. Op 23 augustus begonnen de Antwerpenaren het gehate kasteel af te breken, maar Alessandro Farnese zou het in 1585 laten heropbouwen, meteen na de inname van de stad.
Terwijl Sancho d’Avila als bevelhebber van de citadel verantwoordelijk gesteld werd voor de Spaanse Furie en ontheven werd uit zijn functie (omdat hij de controle verloren had) werd del Monte en de andere loyale officieren niets in de weg gelegd. Met hun actie hadden zij een rebellie onderdrukt tegen het koninklijk gezag, die weliswaar zeer zwaar uit de hand gelopen was. Een gewonnen veldslag kon echter volgens het “stormrecht” altijd gevolgd worden door een 3-daagse plundering…
De del Monte’s dienden nu in het leger van Alessandro Farnese de latere hertog van Parma, die Juan de Austria als luitenant-generaal was komen bijstaan in 1577 en hem op 1 oktober 1578 ook was opgevolgd als landvoogd. Farnese had zijn overwinningen in Gembloers (januari 1578) en Nijvel (maart 1578) te danken aan zijn ruiterij waar de broers Giambattista en Camillo meer dan hun streng getrokken hadden. Camillo stond in Nijvel aan het hoofd van een “bende” van 300 cavaleristen die ook nog een man met een musket achterop hun paard hadden zitten die de strijd te voet kon verderzetten (4).
Tijdens de campagne in Limburg had Farnese hem naar het stadje Dalhem (Luik) gestuurd dat zich maar niet wou overgeven en het koninklijk leger veel tijd deed verliezen. Met 7.000 man en kanonvuur konden del Monte en Henri de Vienne, de heer van Chevreaux en kolonel van de Boergondische infanterie, de 250 verdedigers, die tot de laatste man gevochten hadden, eindelijk op de knieën krijgen. Dalhem werd ingenomen op 20 juni 1578 en Farnese, die toen nog niet de verzoenende en milde landvoogd was van na 1585, liet er een waar bloedbad aanrichten.
Op 1 augustus 1578 vochten Camillo en Giambattista in Rijmenam (Mechelen) waar zij ondanks hun heldhaftig optreden geen zege konden behalen tegen de troepen van Maximiliaan van Hénin-Liétard, de graaf van Boussu, die na de Pacificatie van Gent de kant van de Staten-Generaal gekozen had.
Maar Strada schreef dat
“Onder desen heeft sonder twijfel den meesten lof behaelt de Bende van Camillus del Monte…”
Samen met Giambattista del Monte, Cristóbal de Mondragón en Francisco de Valdés, begon hij in maart 1579 aan de belegering van Maastricht, die pas op 29 juni werd afgesloten met de inname.
In 1580 nam hij in mei deel aan de Slag bij Ingelmunster waar een groep Franse Hugenoten, die onder leiding van François de la Nou aan Staatse zijde vocht, werd uitgeschakeld.
Eind november 1581 werd Doornik ingenomen. Toen Vrouwe Christina de Lalaing na de overgave de stad, die zij moedig verdedigd had, moest verlaten had zij de kerkschat meegenomen. Die mocht Camillo stante pede gaan terug halen toen hij door Farnese achter haar aan werd gestuurd met 200 ruiters.
Wanneer koning Filips II in 1582 besloten had om nieuwe troepen naar de Nederlanden te zenden werden op Farnese’s aanraden Mario Cardoino en Camillo del Monte aan het hoofd van de Italiaanse regimenten (4.000 man) geplaatst en niet Piero de’ Medici de jongste broer van groothertog Francesco I.
Fig.3 De slag aan de Kauwensteinse dijk (Frans Hogenberg 1591, Rijksmuseum Amsterdam).
Farnese, die net zoals del Monte tot de oude Italiaanse aristocratie behoorde, had Camillo in 1585 naar de Kauwensteinse dijk gestuurd die strategisch van groot belang was bij de belegering van Antwerpen waar Parma in juli 1584 aan begonnen was. De stad aan de Schelde was immers een calvinistische republiek geworden en had zich in 1579 aangesloten bij de Unie van Utrecht.
In 1584 had Farnese vrijwel het gehele Land van Waas onder militaire controle gekregen en de stad afgesloten van Staatse hulp, maar de Antwerpenaars zochten naar een uitweg. Op 26 mei 1585 werd de dijk van Kauwenstein (die Oorderen verbond met Stabroek) langs 2 kanten aangevallen door een Antwerpse en een Zeeuwse vloot van in totaal 200 schepen en meer dan 3.000 infanteristen en sapeurs. De ganse Staatse operatie stond onder de leiding van Filips Marnix van Sint-Aldegonde (zie fig.3). Het was de bedoeling om de dijk te perforeren, de blokkade te omzeilen en via de overstroomde polders Antwerpen te kunnen bereiken en bevoorraden met platbodems. De dijk sloot aan bij de fameuze schipbrug van Farnese die al eerder het mikpunt van aanslagen met brandschepen vanuit Antwerpen was geweest.
De veldheer had de dijk laten versterken met forten of schansen, waar naar schatting ca. 2.000 manschappen hadden postgevat. Camillo moest de schans van Sint-Jacob verdedigen, maar toen het zuidelijk fort van Sint-Joris onder bevel van Cristóbal de Mondragón dreigde te bezwijken onder de aanvallen van het Staatse voetvolk kwam del Monte met zijn infanteristen (geen ruiters want die konden op de smalle dijk niet maneuvreren) meteen tussenbeide. Met de steun van de kapiteins Camillo Capizucchi en Juan del Aguila werd de doorbraak van de aanvallers, die al dachten dat zij het pleit gewonnen hadden, ten koste van zware verliezen afgewend tot Farnese met de nodige hulptroepen en geschut arriveerde. Indien de doorbraak van de Staatsen gelukt was, zou de brug van Farnese totaal geen nut meer gehad hebben. Aan de kant van de Staatsen werden er 2.000 en bij de koninklijke troepen 1.000 doden geteld. Voor het dichten van de bressen in de dijk werden ook de lijken van de gesneuvelden gebruikt.
De aanval in Kauwenstein was finaal afgeslagen en op 17 augustus 1585 kon Farnese, ongetwijfeld in het gezelschap van Camillo del Monte en zijn andere officieren (en dit keer zonder plundering), zijn intrede doen in Antwerpen.
Waarschijnlijk in datzelfde jaar was Camillo getrouwd met zijn nicht Vittoria Vitelli en in 1588 was hij met zekerheid terug in Firenze, waar de gewezen cavaleriekapitein door groothertog Ferdinando I benoemd werd tot commandant van de infanteria medicea. Hij overleed er in 1599. Zijn broer Giambattista werd generaal van het groothertogelijk leger en kreeg in 1601 de titel van markies van Piancastagnaio (Siena). Hij werd na zijn dood bijgezet in de familiekapel van de Santa Maria Assunta in Monte Santa Maria Tiberina en misschien zijn Camillo en zijn andere broers daar ook terecht gekomen.
Camillo del Monte’s exacte intenties tijdens de plundering in Antwerpen zullen wellicht altijd een mysterie blijven, maar de grote verdiensten van de Florentijnse officier in het Spaanse leger van de Nederlanden staan buiten kijf.
1. De Bourbon del Monte’s waren afkomstig uit het stadje Monte a Santa Maria en één van de oudste Toscaanse families met een militaire traditie. Lewes Lewkenor, een strijdmakker van del Monte schrijft in zijn “The Estate of English Fugitives” uit 1595 dat Giambattista, Camillo’s broer, geboren was in Firenze (1541). Dat kan dus ook verondersteld worden van Camillo (°1543) en zijn 4 andere broers, Vincenzo, Ascanio, Francesco en Muzio die allemaal condottieri genoemd werden. Zijn oudste broer Pietro (°1540) werd aartsbisschop en zijn zus Agnese ging in het klooster. Camillo’s ouders waren Bartolommeo di Gianfrancesco del Monte uit de Toscaanse tak van de familie en Pantisilea, de zus van Chiappino Vitelli de man die ook betrokken was bij de bouw van de Antwerpse citadel.
2. Schrijver en militair Antonio Carnero vermeldt in zijn Historia de las Guerras Civiles (uit 1592) dat het leger van de Staten in Antwerpen over een troepenmacht van in totaal 9.000 manschappen kon beschikken.
3. Francesco Bocchi uit Firenze merkt in dat verband op in zijn Historia della ribellizione della Fiandra dat de Italianen zich in tegenstelling tot de Spanjaarden vrij correct gedragen hadden.
4. Het inzetten van dergelijke “dragonders” was een strategie die al in 1522 was toegepast door Giovanni dalle Bande Nere de’ Medici in de slag bij la Bicocca.JVL
Camillo del Monte, a Florentine officer in the Spanish army of the Netherlands.
The sack of Antwerp (the Spanish Fury) and the taking of the city are among the most dramatic episodes in the history of the 80 Years' War. Many Italian officers were part of the large Spanish Army of Flanders that had been stationed in the Netherlands since 1567 with the arrival of the Duke of Alva. They were in command of the Italian tercios (regiments), manned mainly by soldiers from Genoa, Milan, Naples and Tuscany. One of these officers was the Florentine Camillo Bourbon del Monte a Santa Maria (1).
An anonymous portrait of Camillo (ca. 1600) has been preserved in the Medici villa of Poggio a Caiano. He is depicted as a knight of Santo Stefano and the painting belonged to the Serie gioviana dei condottieri. (see fig.1). The inscription states that he was captain of the Medici infantry and died in 1599.
Camillo had earned his spurs in the war against the Turks in Hungary (1562) and Malta (1565). Duke Cosimo I de' Medici of Tuscany had made him a Knight of Santo Stefano for his great merit, and in 1566 he fought in the Spanish army in the Netherlands alongside his elder brother Giambattista and his uncle Chiappino Vitelli. At the head of a group horsemen and under the command of Sancho d’Avila and Bernardino de Mendoza, he was, together with Giambattista, part of the important Spanish victory on the Mookerheide in April 1574. On the eve of the Spanish Fury, he was a cavalry captain in the citadel of Antwerp.
With the sudden death of governor Luis de Requesens in March 1576, a power vacuum had arisen in the Netherlands because Juan de Austria, the man who was going to succeed him, had only arrived in November of the same year. As a result of the several mutinies in the Spanish army, the Council of State, which had taken over the political administration, kept on demanding the departure of the Spanish troops. This had led to tensions with the military authority and when the States of Brabant had lifted their own troops, the royalists considered it a form of rebellion. When those soldiers (Germans, Walloons and Brabantians) were sent to Antwerp, where the Spanish royal garrison was stationed, a violent clash became inevitable (2).
On November 4th garrison commander Sancho d'Avila decided to launch an attack from the citadel against the troops of the States in the city, supported by a few regiments of mutineers that he had brought over from Aalst, Lier, Breda and Maastricht. The approximately 5,000 experienced soldiers of the Spanish army (which also included Italians and soldiers of other nationalities) were victorious in the street battles against the much larger but poorly organized (and partly collaborating) army of the States and the unprepared urban militia. The looting and killings that followed have gone down in history as the Spanish Fury.
Frédéric Perrenot, the military governor of Antwerp (and the brother of Cardinal Granvelle), had an earthen wall built to prevent an attack from the citadel, but the defenders had to give way from the very first attacks.
Camillo del Monte and a small group of cavalry men had moved directly to the city centre. It seems that his intention was to reach the Grand Place before the main force of the attackers and to protect the district where the rich Italians lived. The Roman Famiano Strada reported in his "de Bello Belgico"
“… that Camillus del Monte, to whom the storming of the city was most attributed, after he had freed and saved the merchants of Florentine, from whom he could have made great money...." (translation by Willem van Aelst from 1655).
On the Grand Place, Camillo clashed with members of the city guard. His horsemen used their pistols and very quickly occupied the "rich" neighbourhood around the cathedral. When the defenders of the Grand Place were attacked by the main force, they fled or sought refuge in the town hall. The latter was not a good choice because the attackers set fire to the surrounding houses and also to the town hall. Many Antwerp residents were killed on the Grand Place, with the most famous victims being mayor Jan van der Meeren and a few aldermen. One estimates that in total 6,000 to 8,000 people lost their lives during the Fury.
Hogenbergs well-known print with the burning town hall depicts the battles on the Grande Place between attackers (with arquebuses) and defenders (pikemen). On the left of the scene, one notices the approaching cavalry (see fig.2).
The story goes that Del Monte had posted his men in front of the houses of the Italian families and had urged the looters to take on the houses of the English and Portuguese merchants. He had also been able to evacuate a number of Italians who had been entrenched in the Bourse. When there was looting and murder everywhere, he had many Italians (including members of the Affaitati, Pasquali, Bonvisi and Guicciardini families) escorted to the safety of the citadel by a few horsemen, while their houses remained untouched. But after the events, they still had to pay the mutineers (and Camillo?) protection money. It is clear that del Monte was not only guided by patriotic motives, but also had his own financial interests in mind. This makes his actions very dubious and for some authors he is not the "good Italian" who wanted to protect his compatriots (3) but one of the leaders of the attack who were responsible for the slaughter and destruction.
On November 7th , the Spanish Fury was over and most of the looters retreated to the citadel with their booty. Already on November 8th was signed the Pacification of Ghent stipulating that the Spanish troops had to leave the Netherlands. So at the beginning of August 1577, the citadel was handed over to a German garrison, which was prepared to leave it for 300,000 guilders. On August 23rd, the people of Antwerp began to demolish the hated castle, but Alessandro Farnese would have it rebuilt in 1585, immediately after the surrender of the city.
While Sancho d'Avila, as commander of the citadel, was held responsible for the Spanish Fury and was relieved of his position (because he had lost control), nothing was blamed on del Monte and the other loyal officers. With their action they had suppressed a rebellion against the royal authority, which had indeed gotten very badly out of hand. However, according to the "storm law", a won battle could always be followed by a 3-day looting...
The del Monte’s now served in the army of Alessandro Farnese, the later Duke of Parma, who had come to assist Juan de Austria as lieutenant general in 1577 and succeed him as governor on October 1st 1578.
Farnese owed his victories in Gembloux (January 1578) and Nivelles (March 1578) to his cavalry, led by the brothers Giambattista and Camillo del Monte. In Nivelles Camillo was at the head of a "band" of 300 cavalrymen, each of them with a man with a musket on the back of their horse, ready to continue the battle on foot (4).
During the campaign in Limburg, Farnese had sent him to the small town of Dalhem (Liège), not wanting to surrender and causing the royal army to lose a lot of time. With 7,000 men and cannon fire, del Monte and Henri de Vienne, lord of Chevreaux and colonel of the Burgundian infantry, were finally able to overpower the 250 defenders who had fought to the last man. Dalhem was taken on June 20th 1578 and Farnese, who was not yet the conciliatory and lenient governor of the post-1585 period, did not prevent a bloody massacre.
On August 1st 1578, Camillo and Giambattista fought in Rijmenam (Mechelen) where, despite their heroic actions, they were unable to win the battle against the troops of Maximilian of Hénin-Liétard, the Count of Boussu, who had joined the side of the States General after the Pacification of Ghent.
But Strada wrote that
"Among these, the band of Camillus del Monte has undoubtedly received the most praise..."
Together with Giambattista del Monte, Cristóbal de Mondragón and Francisco de Valdés, he took part in the siege of Maastricht in March 1579.
In May 1580 he was present at the Battle of Ingelmunster where a group of French Huguenots fighting for the States and led by François de la Nou, was eliminated.
At the end of November 1581, Tournai was taken. When Lady Christina de Lalaing had to leave the city, which she had defended so bravely, she had taken the church treasure with her. With 200 of his men Camillo was rapidly sent in her pursuit to recover the valuables.
When King Philip II decided to send new troops to the Netherlands in 1582 Mario Cardoino and Camillo del Monte were placed on Farnese's advice at the head of the Italian regiments (4,000 men) instead of Piero de' Medici, the youngest brother of Duke Francesco I.
Farnese, belonging to the old Italian aristocracy as were the del Montes, had sent Camillo in 1585 to the dike of Kauwenstein, which was strategically of great importance during the siege of Antwerp that Parma had begun in July 1584. The city on the Scheldt had become a Calvinist republic and had joined the Union of Utrecht in 1579. In 1584, Farnese had brought almost the entire Land of Waas under military control and cut off the city from Statal support, but the people of Antwerp were looking for a way out. On May 26th 1585, the dike of Kauwenstein (which connected Oorderen with Stabroek) was attacked from 2 sides by an Antwerp and a Zeeland fleet of a total of 200 ships and about 3,000 foot soldiers and sappers. The entire operation was under the command of Philip Marnix of Sint-Aldegonde (see fig.3).
The intention was to perforate the dike, bypass the blockade and be able to reach Antwerp via the flooded polders and supply it with flat-bottomed boats. The dike was an extension of Farnese’s famous ship bridge, which had previously been the target of Antwerp attacks with fireships.
General Farnese had the dike reinforced with fortresses or redoubts manned by approximately 2,000 soldiers. Camillo had to defend the redoubt of St. James, but when the southern fortress of St. George, commanded by Cristóbal de Mondragón, threatened to collapse under the attacks of the State foot soldiers, del Monte and his infantrymen (no horsemen because they could not maneuver on the narrow dike) came at its rescue. With the support of captains Camillo Capizucchi and Juan del Aguila the advance of the attackers, who already thought that they were victorious, was stopped at the cost of heavy losses until Farnese arrived with the necessary auxiliaries and artillery. If the breakthrough of the soldiers of the States had succeeded, the bridge of Farnese would have been completely useless. On the royal side 1,000 men were killed against 2,000 on the opposite side. The corpses of the fallen were used to fill up the breaches in the dike.
However the attack on Kauwenstein was repelled and on August 17th 1585 Farnese, undoubtedly in the company of Camillo del Monte and his other officers, was able to enter the city of Antwerp… and this time without a massacre.
Probably in the same year Camillo had married his cousin Vittoria Vitelli and in 1588 he was definitely back in Florence, where the former cavalry captain was appointed commander of the infanteria medicea by Grand Duke Ferdinando I. He died there in 1599. His brother Giambattista became general of the Grand Ducal army and in 1601 received the title of Marquis of Piancastagnaio (Siena). After his death he was buried in the family chapel of the Santa Maria Assunta in Monte Santa Maria Tiberina and perhaps Camillo and his other brothers also ended up there.
Camillo de Monte’s exact intentions during the sack of Antwerp will probably always remain a mystery, but the great merits of this Florentine officer in the Spanish army of the Netherlands are beyond dispute.
1. The Bourbon del Monte's came from the town of Monte a Santa Maria and were one of the oldest Tuscan families with a military tradition. Lewes Lewkenor, a comrade in arms of del Monte, writes in 1590 in his "The Estate of English Fugitives" that Giambattista, Camillo's brother, was born in Florence (1541). This can also be assumed of Camillo (°1543) and his 4 other brothers, Vincenzo, Ascanio, Francesco and Muzio who were all called condottieri. His eldest brother Pietro (°1540) became archbishop and his sister Agnese entered the monastery. Camillo's parents were Bartolommeo di Gianfrancesco del Monte from the Tuscan branch of the family and Pantisilea, the sister of Chiappino Vitelli, the man who was also involved in the construction of the Antwerp citadel.
2. Soldier and writer Antonio Carnero mentions in his Historia de las Guerras Civiles (1592) that the army of the States in Antwerp had a total force of 9,000 men.
3. The Florentine Francesco Bocchi remarks in his Historia della ribellizione della Fiandra that the Italians, in contrast to the Spaniards, had behaved quite correctly.
4. The use of such "dragoons" was a strategy that had already been used in 1522 by Giovanni dalle Bande Nere de' Medici in the battle of la Bicocca.
Literatuur:
Arfaioli, M. Bastion of Empire. The Italian terzo Vecchio of the Army of Flanders (1597-1682)
In: Journal of Military History, May 2021.
Damiani, R. Condottieri di ventura CAMILLO DEL MONTE A SANTA MARIA
De Graaff, M. De Nederlanden in 1576 in verband met de Spaansche furie en de plundering van
Antwerpen. In : de Tijdspiegel, jg. 36 (1879). DBNL.
Fagel, R. The Origins of the Spanish Fury at Antwerp (1576): A Battle Within City Walls | Early Modern Low Countries.
Giansante, M. Capizucchi, Camillo. In: Dizionario Italiano, vol.18 (1975).
Meijer, W. Spaanse Furie (Antwerpen) - Wiki Raamsdonk
Parker, G. El ejército Flandes y el camino español 1567-1659. Madrid, 1972.
Rooms, E. Een nieuwe visie op de gebeurtenissen die geleid hebben tot de Spaanse furie te
Antwerpen op 4 november 1576. In: Bijdragen tot de geschiedenis. Bd. 54, 1971, S. 31–54.
Strada, F. De Bello Belgico. Decas-Prima ab excess Caroli V imp. Usque ad…. Vol.1 & 2. Rome, 1640.
Der Nederlandtsche oorloge - Famiano Strada - Google Boeken
Van Gelder, H E. Van Beeldenstorm tot Pacificatie. Amsterdam, 1964.
Van Goethem, J. De rol van het Land van Waas in het beleg van Antwerpen.
(Masterproef Univ.Gent, 2010).
Van Laerhoven, J. De Medici-condottieri. Herk-de-Stad, 2013.
zie art. Chiappino Vitelli en de citadel van Antwerpen.
zie art. Florentijnse kooplui in 16de-eeuws Antwerpen.
Volpini, P. Medici, Giovanni de’. In: Dizionario Italiano, vol.73 (2009).