Huurlingen uit Vlaanderen in dienst van middeleeuws Firenze

Huurlingen uit Vlaanderen in dienst van middeleeuws Firenze

Met de ontwikkeling van de stadstaten in Noord-en-Centraal Italië was er een einde gekomen aan het feodale oorlogsgebeuren dat hoofdzakelijk een zaak van de adellijke ridders geweest was. Het handhaven van de orde en de verdediging van de stad was in het 13de-eeuwse Firenze in handen van de stadsmilitie of de gewapende burgerwacht. Die bestond in zijn totaliteit gewoonlijk uit een duizendtal manschappen die door elk stadsdeel verplicht werden aangeleverd. Ook de soldaten van de gilden, die getraind werden door enkele ervaren oorlogsveteranen, waren in de stadsmilitie geïntegreerd. Wanneer de stad en haar territorium onder bedreiging kwamen te staan kon de militie aangevuld worden met nog meer dienstplichtige burgers uit de stad en vooral ook uit de contado (het omliggend gebied). De leden van de stedelijke adel en rijke burgers zorgden voor de ruiterij en de infanteristen werden uit het gewone volk gerekruteerd.
De Florentijnen waren van oordeel dat oorlog een veel te belangrijke zaak was om enkel over te laten aan militairen, maar toch werd tegen het einde van de 13de eeuw het burgerleger (dat weinig gevechtservaring had en meestal licht bewapend was) in tijden van crisis meer en meer uitgebreid met huurlingen.

In de Slag bij Campaldino van 11 juni 1289, waar Welfen (uit Firenze) en Ghibellijen (uit Arezzo) elkaar bekampten en waar ook Dante Alighieri als cavalerist aan deelnam, is de geschiedenis ingegaan als de strijd tussen de burgerij en de aristocratie.  Het Florentijnse leger dat bestond uit ca. 1.500 ruiters en om en bij de 10.000 infanteristen werd naar de zege geleid door de Franse huurlingenleiders Amerigo de  Narbonne en Guillaume de Durfort. Zij waren met een contingent huurlingen van 500 ruiters het Florentijnse leger komen vervoegen. Hun manschappen kwamen hoofdzakelijk uit Zuid-Frankrijk en er waren toen wellicht nog geen Vlamingen of Brabanders bij.£Die waren nochtans reeds in de 11de en 12de  eeuw actief geweest in Engeland waar zowel Vlamingen als Brabanders Willem de Veroveraar en zijn opvolgers in hun oorlogsvoering hadden bijgestaan. Dat Willem van Normandië getrouwd was met Mathilde van Vlaanderen was daar natuurlijk niet vreemd aan.
In Italië had één van hun eerste optredens plaats in 1167 toen Willem van Cambrai (Kamerrijk) met zijn Brabançons (uit Brabant, Vlaanderen en aangrenzende gebieden ) keizer Barbarossa vergezelde tijdens diens 3de Italiaanse campagne tegen de steden van de Lombardische Liga . Zij hadden de reputatie van genadeloze plunderaars te zijn en in 1179 werden hun acties tijdens het 3de Lateraans Concilie streng veroordeeld.

In 1285 had de Catalaanse condottiere Guglielmo della Torre met een multinationale groep van 114 soldaten zijn diensten aangeboden aan de stad Siena. Bij de 53 geïdentificeerde militairen waren er 2 Vlamingen bij.  
Toen de Florentijnen in 1302 ten strijde trokken tegen Pistoia werden er op een totaal van 7249 militairen al 1175 huurlingen (vooral infanteristen) geteld, die als “niet-Florentijnen” benoemd werden. Er werd ook gesproken van mercenari oltramontani of tedeschi  (die allemaal afkomstig waren uit het Heilig Roomse Rijk) waarbij er geen onderscheid gemaakt werd tussen Vlamingen, Brabanders, Duitsers, Zwitsers en andere noorderlingen. Het is dus zeer aannemelijk dat er toen ook krijgslieden uit onze streken onder de Florentijnse vlag gevochten hebben. Aangezien er echter weinig officieren bij waren, zijn hun namen en herkomst meestal niet opgetekend. Dat vond men ook niet belangrijk want de onderlinge band en de loyauteit van de soldaten tegenover de leider (de condottiere) was immers veel groter dan een soort van artificieel “nationaal gevoel”. Tussen 1320 en 1360 zouden er in Italië ca.10.000 “Duitse” (niet-Italiaanse) huurlingen aanwezig geweest zijn.

Vooral de Vlamingen hadden in Italië een stevige reputatie als dappere en ervaren strijders gekregen onder meer dankzij de kroniek van Giovanni Villani over hun heldendaden tijdens de Guldensporenslag.  Er zijn ongetwijfeld avonturiers uit de Lage Landen lid geweest van de Grote Compagnie van Werner von Urslingen en de Compagnia della Colomba van Giovanni di Boemia (Johan van Bohemen) toen die in  de jaren 30 van de 14de eeuw actief waren in de conflicten tussen Perugia en Arezzo en Firenze en Siena.
Onder leiding van Niccoló di Fiandra maakte een groep Fiamminghi deel uit van de Witte Compagnie die, onder het commando van de Engelse condottiere Giovanni Acuto (John Hawkwood), in 1363 Firenze was komen bedreigen tijdens de oorlog met Pisa. Enkele jaren later vochten Acuto en zijn manschappen in dienst van de Florentijnen en hij werd daarvoor o.a.beloond met een fresco in de dom.

In datzelfde 1363 had het Florentijnse stadsbestuur een contract gesloten met 2 condottieri genaamd Ugo di Melichin en Ermanno di Vinden. Dat zullen zeer waarschijnlijk de Fiamminghi Hugo van Mechelen en Herman van Veurne (?) geweest zijn. Zij moesten voor een contingent van 1.000 ruiters zorgen (waarvan 800 “goed bewapend”)  en  kregen daarvoor ieder een maandelijks bedrag van 150 florijnen. De gewone soldaten kregen (a rato van hun kunde) tussen de 6 en 15 florijnen per maand. Acuto kreeg in 1381 van de Florentijnen een jaarsalaris van 4.000 florijnen voor het permanent ter beschikking houden van een kleine strijdmacht van ca.100 eenheden.
De Vlaamse gemengde formaties of “benden” (waar dus ook soldaten uit andere noordelijke gebieden deel van uitmaakten) werden meestal ingeschakeld in tijden van opstand en rellen om handelsroutes, stadspoorten, en openbare gebouwen te bewaken en te verdedigen. Terwijl het Florentijnse leger op campagne was, zorgden zij voor de rust in de stad. Het waren hoofdzakelijk kruisboogschutters (balestrieri) die dankzij dit zeer efficiënte en gevreesde wapen zeer snel elke vorm van insubordinatie konden onderdrukken.
Tijdens de 100 jarige Oorlog stonden in de veldslagen bij Crécy (1346) en Poitiers (1356), althans volgens de kroniek van Jean Froissart, de kruisboogschutters blijkbaar neus aan neus met de langboogschutters (zie fig.1). Terwijl de lange boog op langere afstand groot nut had en er een pijlenregen op de vijand neer kwam, was de kruisboog ook zeer geschikt bij interventies in straatgevechten en dodelijk op korte afstand.

Fig.1  Crécy 1346 (Jean Froissart, Chroniques).

Gualtieri (Wouter) di Brienne, de hertog van Athene, die in 1342 de macht naar zich toe getrokken had in Firenze, liet zich beschermen door een persoonlijke lijfwacht bestaande uit ca. 800 Franse (Boergondische) en Vlaamse huurlingen. (meestal boogschutters). Toen hij tot aftreden werd gedwongen en uit de stad verjaagd werd een groot aantal van zijn mannen die hem trouw gebleven waren tijdens de rellen gedood (sommige bronnen  spreken van 300). De rest is naar verdere oorden getrokken, waar zij zich aansloten bij andere compagnies of gingen deel uitmaken van de stadsmilitie of het plaatselijk garnizoen.

De toename van het aantal huurlingen in het middeleeuws oorlogsgebeuren was het gevolg van een stijgende economische en sociale druk. Boeren of stedelingen zonder werk en toekomst, misdadigers en outcasts of opportunistische avonturiers kozen voor het krijgsbestaan. Ridders, met militaire ervaring, maar zonder land of bezit wierpen zich op als hun leiders en werden de latere condottieri.  Vlamingen en Brabanders waren  naar Italië getrokken omdat de steden die daar onderling oorlog voerden geen eigen (professioneel) leger hadden: in Vlaanderen en Brabant heerste werkloosheid en overbevolking en in Italië was geld te verdienen (zij werden betaald per gevecht of campagne). Deze militairen waren in normale omstandigheden niet van plan om zich ergens blijvend te vestigen en er kan hier dus enkel maar over circulaire migratie gesproken worden. Wanneer hun condotta (contract) was afgelopen gingen zij op zoek naar een andere opdrachtgever. Maar wanneer zij echter om één of andere reden hun bestaan als militair moesten opgeven (kwetsuur of leeftijd) is het best mogelijk dat zij (meestal op individuele basis) het zwaard voor de ploeg, de hamer of het weefgetouw geruild hebben en zich ergens in Italië gesetteld hebben. Aanvankelijk werden zij dan bijvoorbeeld nog Piero Fiammingo of Giovanni Tedesco genoemd, maar na enkele generaties werd dat suffix weggelaten en was hun geografische en professionele herkomst niet meer te identificeren. Er zijn er wellicht ook militairen die teruggekeerd zijn naar hun vaderland, maar daar zijn geen getuigenissen van.

Het inschakelen van “vreemde” soldaten in het Florentijns militair apparaat had het voordeel dat die zich neutraal konden opstellen in de Welfisch-Ghibellijnse conflicten of in de tweestrijd tussen de Zwarte en de Witte Welfen. In de 14de eeuw was zo’n “Vlaamse” eenheid betrouwbaarder dan een gewapende burgermilitie, die immers samengesteld was uit stedelingen en steeds een politiek risico inhield. Zij hadden ook geen sociale banden met hun tegenstanders en waren bereid om zeer gewelddadig op te treden en in dat geval wilde de Florentijnse overheid geen Florentijnen tegenover Florentijnen plaatsen.  Het is pas veel later dat men (Machiavelli) de vorming van een militie terug ging verkiezen boven het werken met condottieri en huurlingen.

Om de opstand van de Ciompi (de meer dan 10.000 uitgebuite textielarbeiders) te beschermen tegen de reactie van de grote gilden had Michele di Lando, de wolkaarder die de leiding van de Florentijnse republiek in handen genomen had, in juli 1378 gezorgd voor het rekruteren van een extra militie van 1.000 (sommigen zeggen 1.500) kruisboogschutters (balestrieri). Er zijn weer geen namen bekend, maar indien dat allemaal “vreemde” huurlingen geweest zijn is de kans zeer reëel dat er een substantieel aantal Vlamingen en/of  Brabanders deel van uitgemaakt heeft. De Ciompi waren daar niet erg gelukkig mee, maar di Lando wist dat buitenstaanders betrouwbaar waren en indien nodig zonder scrupules geweld zouden gebruiken. Dat gebeurde ook toen de opstand dreigde te ontsporen en di Lando zijn boogschutters samen met de soldaten van de gilden eind augustus een ware slachting onder de Ciompi liet aanrichten.
Bij de slachtoffers zullen er ook Fiamminghi geweest zijn aangezien er gedurende de stakingen van de textielarbeiders, werkkrachten uit de Lage Landen naar Firenze gehaald waren en het is dus niet onwaarschijnlijk dat er toen streekgenoten tegenover elkaar gestaan hebben tijdens het treffen.  Wanneer na de gebeurtenissen di Lando’s speciale militie werd opgeheven en de soldaten van de gilden het terug van hen overnamen, zijn deze huurlingen hun diensten ongetwijfeld in andere steden en aan andere broodheren gaan aanbieden.

Fig.2 Haakbusschutter (tekening Niklas Meldeman)

In de volgende jaren bleven er Vlamingen deel uitmaken van de Florentijnse stadswacht. Een zekere Piero di Fiandra, politieman (birro) en zeer waarschijnlijk een gewezen huurling werd ter dood veroordeeld en onthoofd op 12 februari 1452 wegens het doden van één van zijn compagnons.
Ook op de slagvelden werden er in de loop van de 15de eeuw nog steeds “Vlaamse” huurlingen (meestal als infanteristen) ingezet tijdens de oorlogen in Italië. In het conflict tussen Firenze en Milaan waren er bij de Slag te Anghiari (juni 1440) zeer waarschijnlijk Vlaamse boogschutters en piekeniers in beide kampen terug te vinden. Ook bij de belegering van Volterra in 1472 werden er Fiamminghi (Flamenghi) in het leger van Federico da Montefeltro gesignaleerd. Zij waren nog steeds ingedeeld bij gemengde formaties en er was nooit sprake van een echt “Vlaams korps”.
Dat was wel het geval in de 16de eeuw toen het semi-permanente beroepsleger zijn intrede deed. Aparte Vlaamse regimenten (onder leiding van Vlaamse adellijke officieren) konden deel uitmaken van de grote keizerlijke of koninklijke legers. Zij stonden nog altijd bekend als ervaren piekeniers en haakbusschutters (zie fig.2), maar toch werd hun prominente plaats op de Europese slagvelden stilaan overgenomen door Duitse en Zwitserse landsknechten.

De Fiamminghi hadden dan misschien wel hun militaire faam verloren, maar zij kregen nu echter meer en meer bekendheid in Italië en Firenze als uitmuntende kunstenaars en dat was ongetwijfeld toch nog van veel groter belang.

                                                                                       JVL

Mercenaries from Flanders in the service of medieval Florence. 

With the development of the city-states in northern and central Italy, the feudal warfare (mainly the cause of noble knights) had come to an end. In 13th-century Florence the defence of the city and keeping the order was in the hands of the city militia (the armed civil guard). It consisted normally of about a total of 1,000 men provided obligatory by the different city districts. Also part of the militia were the soldiers of the guilds, trained by some army veterans. When the city and its territory came under threat the militia could be supplemented by even more conscripted civilians from the city and from the contado (the surrounding area). The members of the urban nobility and the wealthy citizens took care of the cavalry and the common people provided the infantrymen.
The Florentines were convinced that warfare was far too important a matter to be left to the military alone, but nevertheless at the end of the 13th century the civilian army (which had little combat experience and was lighly armed) was more and more expanded with mercenaries in times of crisis.

At the Battle of Campaldino in June 1289 between Guelphs (from Florence) and Ghibellines (from Arezzo), in which Dante Alighieri also participated as a cavalryman, has gone down in history as the struggle between the bourgeoisie and the aristocracy. The Florentine army, consisting of about 1,500 horsemen and 10,000 infantrymen was led to victory by the French mercenary captains Amerigo de Narbonne and Guillaume de Durfort. They had joined the Florentine army with a contingent of about 500 mercenary horsemen. These men came mainly from the south of France and in all probability there were no Flemings or Brabantians among them. However the latter had already been active in England in the 11th and 12th centuries, where both Flemings and Brabantians had assisted William the Conqueror and his successors in their warfare. The fact that William of Normandy was married to Mathilde of Flanders had certainly something to do with it.
One of their first appearances in Italy dates from 1167 when William of Cambrai accompanied Emperor Barbarossa with a unit of Brabanzoni (from Brabant, Flanders and neighbouring territories) during his 3rd Italian campaign against the cities of the Lombard League. They had a reputation for being merciless plunderers and in 1179 their actions were severely condemned at the 3rd Lateran Council.

In 1285 the Catalan condottiere Guglielmo della Torre had offered his services to the city of Siena with a multinational group of 114 soldiers. Among the 53 identified soldiers, 2 came from Flanders.
During the following interurban conflicts in northern Italy, the Florentines also started to enlist men from the Low Countries. When they went to war against Pistoia in 1302, out of a total of 7249 soldiers, 1175 were mercenaries (mainly infantrymen) described as "non-Florentines". They were also called mercenari oltramontani or tedeschi (all of them coming from the Holy Roman Empire) and no distinction was made between Flemings, Brabantians, Germans, Swiss and other northerners. It is therefore very likely that soldiers from our regions fought under the Florentine flag at that time. Since there were not many officers among them, their names and origin are usually not mentioned. That was not important because the brotherly bond and loyalty of the soldiers to their leader (the condottiere) was much greater than some kind of artificial “national feeling”.  Between 1320 and 1360 the number of “German” (non-Italian) mercenaries in Italy is estimated at about 10,000.

The Flemish warriors in particular had gained in Italy a solid reputation as brave and experienced fighters, thanks in part to Giovanni Villani's chronicle of the Battle of the Golden Spurs.  It is bound to be that many adventurers from the Low Countries joined the Great Company (led by Werner von Urslingen) and the Compagnia della Colomba (led by John of Bohemia) when they were fighting in the wars between Perugia and Arezzo and Florence and Siena in the thirties of the 14th century.
Led by Niccoló di Fiandra, a group of Fiamminghi was part of the White Company of mercenaries that had come to threaten Florence in 1363 during the war with Pisa under the command of the English condottiere Giovanni Acuto (John Hawkwood). A few years later, Acuto and his men fought in the service of the Florentines who rewarded him a.o. with a fresco in the duomo.

In the same 1363 the Florentine city council had signed a contract with 2 condottieri named Ugo di Melichin and Ermanno di Vinden. That surely could have been the Fiamminghi Hugo van Mechelen and Herman van Veurne (?). They had to provide a contingent of 1,000 horsemen (800 of whom “well armed”) and in return each condottiere received a monthly sum of 150 florins.  Soldiers were paid (in proportion to their skills) between 6 and 15 florins per month. In 1381 Acuto could count on an annual salary of 4,000 florins for keeping a small force of about 100 men at the permanent disposal of the Florentine government.
The Flemish mixed formations or “bands” (which also included soldiers from other northern areas) were usually engaged in times of rebellion and riots to guard and defend trade routes, city gates, and public buildings. While the Florentine army was on campaign, these men ensured peace in the city. They were mainly crossbowmen (balestrieri), able to suppress very rapidly any form of insubordination with this highly efficient and feared weapon. During the 100 Years’War, at Crécy (1346) and Poitiers (1356) crossbowmen stood face to face with  longbowmen, at least according to the Chronicle of Jean Froissart (see fig.1). While the long bow was of great use at long range when a shower of arrows came down on the enemy, the crossbow was also very adequate for interventions in street fights and deadly at close range.

Gualtieri (Walter) di Brienne, the Duke of Athens, who had seized power in Florence in 1342, had assured his protection with a group of about 800 French (Burgundian) and Flemish mercenaries. When he was forced to abdicate and driven out of the city, a large number of his loyal men were killed (some sources speak of 300) during the riots and the rest moved to further places where they joined other companies or became part of a city militia or the local garrison.

The growth in the number of mercenaries in medieval warfare was the result of increasing economic and social pressure. Farmers or city dwellers without work and future, criminals and outcasts or opportunistic adventurers opted for the military life. Knights, with military experience but without land or possessions, presented themselves as their leaders and then became the famous condottieri. Flemings and Brabantians had come to Italy because the belligerent cities did not have their own (professional) army: in Flanders and Brabantia there was unemployment and overpopulation and in Italy there was money to be made (they were paid per battle or campaign). But these mercenaries had  normally no intention at all to settle somewhere permanently and so one can only speak of circular migration. When their condotta (contract) had expired they started looking for another client. But if for one reason or another they had to give up their job as a soldier (because of injury or old age) it is quite possible that they (usually on an individual basis) exchanged the sword for the plough, the hammer or the loom and settled somewhere in Italy. Initially they were still called Piero Fiammingo or Giovanni Tedesco but after a few generations that suffix was omitted and their geographical and professional origin could no longer be identified. There may also have been those who returned to their homeland, but there are no testimonies of such.

The involvement of foreign soldiers in the Florentine army had the advantage that these men could adopt a neutral position in the Guelph-Ghibelline conflict or in the struggle between the Black and White Guelphs. In the 14th century, such a “Flemish” combat unit was more reliable than an armed civilian militia, which was composed of citizens and always entailed a political risk. The city government did not want to put Florentines in front of other Florentines and these foreigners had no social ties with their opponents and were willing to use brutal violence. It was only much later that the formation of a militia (Machiavelli) was preferred to the action of condottieri and mercenaries.

In order to protect the revolt of the Ciompi (the more than 10,000 exploited textile workers) from a reaction of the great guilds, Michele di Lando, the wool carder who had taken over the leadership of the Florentine republic, had recruited an additional militia of 1,000 (some say 1,500) crossbowmen (balestrieri) in July 1378.  Again no names are known but if they were all “foreign” mercenaries, there is a real chance that a substantial number Flemings and/or Brabantians were part of it.  The Ciompi were not very happy about this, but di Lando knew that these outsiders were reliable and would use force without scruples. That was indeed the case when the rebellion threatened to derail by the end of August and di Lando had his archers, together with the soldiers of the guilds, cause a real massacre among the Ciompi. Amidst the victims there will have been Fiamminghi as well, because labourers from the Low Countries had been brought to Florence during the strikes in the wool workshops, and it is therefore not unlikely that fellow countrymen faced each other during the clash.
When di Lando's special militia was disbanded after the events, and the soldiers of the guilds took over, his mercenaries departed and undoubtedly offered their services (as a group or individually) in other cities and other employers.

In the following years Flemings continued to be part of the Florentine city guard. A man called Piero di Fiandra, a policeman (birro) and probably a former mercenary was sentenced to death and beheaded on February 12th 1452 for having killed one of his companions.
In the 15th century, Flemish mercenaries (usually foot soldiers) kept on fighting on the battlefields in Italy. In the war between Florence and  Milan, Flemish archers and pikemen were most likely to be found in both camps at the Battle of Anghiari (June 1440). At the siege of Volterra in 1472 it seems that Fiamminghi (or Flamenghi) were present in the army of Federico da Montefeltro. They were still assigned to mixed formations and there was never a real “Flemish corps”. This was the case in the 16th century when the semi-permanent professional army made its appearance and separate Flemish regiments (led by Flemish noble army officers) were part of the great imperial and royal armies. These men were still famous as experienced pikemen and arquebusiers (see fig.2), but nevertheless their prominent place on the European battlefields was gradually taken over by German and Swiss landsknechts.  

So the Fiamminghi may have lost their military fame in the 1500s but they were now becoming more and more known in Italy and Florence as outstanding artists and that was undoubtedly of even greater importance.                              

Literatuur:

Antonetti, P.         Het Bruisende Leven in Firenze.       Amsterdam, 1988.
Bomboni, M.       The New Gateway to the World. Massimo Bomboni PhD Thesis.pdf
Brebner, J.           Brabant and the Brabanters – Scotland and the Flemish People
Caferro, W.          The Florentine Army in the Age of the Companies of Adventure - Medievalists.net    2017.
                            John Hawkwood an English Mercenary in Fourteenth-Century Italy.    Baltimore, 2006.
Couhault, P.          A prelude tot the wars of religion: The Sack of Rome (1527).
Crowther, D.         Transcript for Hawkwood 5 – The History of England   (2002).
Halsal, G.              The Florentine Army, c.1260-1325 by Guy Halsall.
Leeson, P e.a.        The_Golden_Age_of_Mercenaries.pdf
Mallett, M e.a.      Mercenaries and their Masters: Warfare in Renaissance Italy.   Totowa, 1974.
Van Laerhoven, J. De Medici-condottieri.     Herk-de-Stad, 2013.
                               zie art. Firenze en de hertog van Athene.
                               zie art. De opstand van de Ciompi in 1378.
                               zie art. Een Florentijnse kijk op de Guldensporenslag van 1302.
                               zie art. Dante Alighieri, een dichter op het slagveld.
                               zie art. Machiavelli en de krijgskunst.
                               zie art. Giovanni de’ Medici en de Zwarte Benden.
                               zie art. Florentijnse militairen in het Spaanse leger van Vlaanderen.
 Waley, D.              The Army of the Florentine Republic.  In: Florentine Studies.     Londen, 1969.