Het leven van een universiteitsstudent in het Toscane van het Quattrocentro.

Het leven van een universiteitsstudent in het Toscane van het Quattrocentro.

In de huidige regio Toscane bestonden er in de 15de eeuw 3 volwaardige universiteiten: Firenze, Pisa en Siena. Ze werden alle 3 opgericht met pauselijke en keizerlijke toelating in de eerste helft van de 14de eeuw als een studium generale met de vereiste faculteiten: rechten ( burgerlijk en canoniek), medicijnen & kunsten en theologie. Met een paar honderd studenten en een 30 à 40 docenten tijdens hun topjaren kenden de studio’s afwisselend succes.

In de eerste helft van de 15de eeuw was Siena de absolute marktleider in de Toscaanse universiteitswereld. De Studio Senese had het grootste aantal echte, ingeschreven (buitenlandse) studenten, en was financieel stabiel. Pisa kende een bloeiperiode in de 14de eeuw maar was academisch dood na de bezetting door de Florentijnen in 1406.
Firenze was een aantrekkingspunt voor de studenten in de humanistische wetenschappen, maar na de overbrenging naar Pisa van de rechten en medicijnen door Lorenzo de’ Medici in 1473, kende de Studio Pisaso een 2de start en bleef de Studio Fiorentino nog slechts een “romp-universiteit”. Siena verloor haar leidinggevende positie en degradeerde na de verovering door de Florentijnen in 1555 tot een tweederangs universiteit.
Het leven van een student aan de 3 universiteiten zag er ongeveer hetzelfde uit. Men kon op zeer jonge leeftijd (16/17 jaar) beginnen aan de studies.

1.Waar werd er les gegeven?
Er werd onderwijs verstrekt op verschillende plaatsen in het centrum van de stad. Er werd ook in kloosters of kerkgebouwen les gegeven waar er meestal ook een bibliotheek aanwezig was. In Pisa en Siena was er geen centraal gelegen gebouw waar er colleges konden gegeven worden.
In Firenze werd er vanaf 1392 gebruik gemaakt van het Palazzo dello Studio, een door de stad geconfisqueerd gebouw dat eigendom was geweest van de Ghibellijnse familie Tebaldini. Het stadsbestuur huurde huizen van burgers waar de docenten met hun studenten terecht konden. De docent kon de studenten ook ontvangen bij hem thuis.

2.Hoe zag de dagindeling van de student er uit?
Het academiejaar begon in november en duurde 35 tot 40 lesweken (door al de feestdagen), zodat er 4 tot 5 dagen in de week werd les gegeven.
Van 6 tot 9 ’s morgens  kregen de studenten het gewone onderricht in koude lokalen. De lesgever gaf van achter zijn cathedra (lessenaar) les in het Latijn (en Grieks) of las voor en de studenten zaten op houten banken en noteerden of memoriseerden de leerstof. Tussen 9 en 12 vonden er debatten plaats, werd de mis bijgewoond en was er een lunchpauze. De voormiddagactiviteit (die openbaar was) behoorde tot de vaste opdracht van de docent en daarvoor kreeg hij zijn salaris. Het Palazzo dello Studio in Firenze werd meestal in de namiddag gesloten.

Van 13u tot 16u konden de studenten naar privélessen gaan, waar de docent voor beperkte groepen dieper kon ingaan op de leerstof die aansloot bij zijn cursus en het officiële leerplan.
Tussen 16u en 18u waren er repetities voorzien of werden er extra lessen (door assistenten of oudere studenten) gegeven aan de rookies, die zich dat financieel konden permitteren.
Na het avondeten konden er (bij kaarslicht) privélessen bijgewoond worden, die door een docent met naam en faam meestal in zijn eigen huis voor een kleine groep en in besloten kring gehouden werden. Op die manier kon hij zijn eigen, aanvullende en soms niet-officiële visie over de leerstof aan kapitaalkrachtige en geïnteresseerde studenten meedelen. 
Maar de studenten die daar allemaal geen behoefte aan hadden konden al van ’s middags vertier gaan zoeken in de stad.

3.Waar verbleven de studenten?
De studenten gingen “op kot” in een kamertje dat ze huurden van een burger of een docent en de geestelijken mochten in kloosters overnachten.  
In Siena was in 1416 in een vroeger weeshuis het Casa della Sapienza geopend, een internaat waar 50 à 60 (meestal zeer jonge) studenten konden verblijven. Oorspronkelijk was het de bedoeling om het gebouw open te stellen  voor arme (en buitenlandse) studenten die daar gratis of tegen een bescheiden vergoeding kost en inwoon konden krijgen. Maar toen men ook rijke studenten ging toelaten in het Casa werd dat een interessante manier om de zaak te financieren en betaalden de rijken het verblijf van de armen.

In Pisa is er geen dergelijke residentie bekend: het Palazzo della Sapienza dat Lorenzo de’ Medici had laten bouwen in 1486 was de administratieve zetel van de universiteit en geen internaat of collegegebouw.
In navolging van Siena was in 1429 in Firenze voorgesteld om een soortgelijke residentie te bouwen. Het geplande Casa della Sapienza zou bestemd geweest zijn voor een 50-tal arme studenten, waarvan de helft niet-Florentijnen. De politicus en bankier Niccolò da Uzzano was bereid het project te financieren, maar door tussenkomst van Cosimo de’ Medici werd het plan niet uitgevoerd wegens teveel overlast (zie verder).

In het Casa van Siena waren de regels zeer strikt. Een door de studenten uit hun eigen midden verkozen rector moest er op toezien dat de ochtendmis werd bijgewoond, dat er geen gokspellen (dobbelstenen), wapens of vrouwen werden naar binnen gesmokkeld en dat de avondklok gerespecteerd werd. Overtredingen werden beboet (het bedrag werd afgehouden van de borg die gestort was) en recidivisten konden weggestuurd worden. Naar het schijnt was er in het Casa zelfs een kerker voorzien.

4. Welke privilegies hadden de studenten?
Studenten van de Studio (en zeker de buitenlandse) genoten van verscheidene gunstmaatregelen. Zij konden vrijgesteld worden van sommige belastingen (zoals tol-en poortgeld) en konden niet gearresteerd worden wegens openstaande schulden in hun thuisstad.
Bij het plegen van misdaden genoten de buitenlanders (de niet-Florentijnen) van het privilegio fori, waarbij zij niet berecht door de plaatselijke rechters maar door een universitaire rechtbank, die doorgaans mildere straffen uitsprak.
De meeste burgers zagen de buitenlandse studenten vaak als arrogante, bevoorrechte jongeren die dachten dat ze alles konden maken omdat ze immuun waren voor de lokale rechtbanken. Zij mochten ook wapens dragen om zichzelf zogezegd te beschermen, maar die werden veel te gemakkelijk boven gehaald bij caféruzies.
Studenten die tot de geestelijke stand behoorden vielen onder de kerkelijke rechtspraak, maar van hen werd weinig overlast en criminaliteit verwacht.

De buitenlandse studenten waren op basis van hun geografische herkomst georganiseerd in naties. Er waren de ultramontani (Duitsers, Fransen, Engelsen etc.) en de citramontani (de Italianen uit Venetië, Lombardije etc.). Studenten uit de Lage Landen maakten deel uit van de Duitse Natie. In tegenstelling met Siena zullen, wegens het relatief geringe aantal studenten, die naties in Firenze en Pisa niet veel voorgesteld hebben.
De naties waren verenigingen die hun land-of streekgenoten logistieke hulp (huisvesting) en juridische bescherming boden. Er werd lidgeld betaald bij aankomst en de student legde een eed af. Aan het hoofd van een natie stond de door de leden verkozen consul: hij onderhandelde met de bestuurders van de studio en formuleerde de eventuele klachten van de studenten. Als een docent regelmatig te laat kwam, afweek van zijn leerplan of niet de volledige leerstof wist af te werken kon dat ook bestraft worden. De boete werd rechtstreeks van het salaris afgehouden.

5. Hoe groot was de overlast?
Toen men in Firenze in 1429 plannen had voor de bouw van het Casa della Sapienza naast de kerk van San Marco, heeft Cosimo de’ Medici zijn steun voor dat project geweigerd. Hij woonde niet veraf in de Via Larga en hij zou bevreesd geweest zijn voor overlast in zijn buurt. Ook wanneer Lorenzo de’ Medici in 1473 een groot deel van de universiteit liet overplaatsen naar Pisa, zou hij dat om dezelfde reden gedaan hebben. Maar in beide gevallen is dat zeker niet de hoofdoorzaak van hun handelen geweest (zie art. Lo Studio Fiorentino en de Medici).

Van universiteitsstudenten werd overal gezegd dat het dronkaards, gokkers, ruziemakers en bordeelbezoekers waren die constant voor de nodige heibel en vechtpartijen zorgden.
Zo wist Sant’Antonino Pierozzi, aartsbisschop van Firenze en later heilige, in zijn Summa Moralis (1440-59) te vertellen dat de studenten met hun losbandig en onchristelijk gedrag het onderwijspeil naar beneden haalden en de openbare orde verstoorden. Vooral hun luidruchtigheid en hun gebrek aan discipline stoorde hem. Antonino Pierozzi had zelf zijn opleiding gekregen bij de dominicanen en waarschijnlijk niet gestudeerd aan de studio, maar hij was geboren en opgegroeid in de buurt van de studio, in de Torre dei Pierozzi op het nr. 25 van de Via dello Studio en hij kende dus zijn pappenheimers.

Of het in Firenze, gezien de strenge controle van het stadsbestuur, allemaal zo erg geweest is, valt te betwijfelen, maar met de komst van Savonarola in 1494 werd er in ieder geval paal en perk gesteld aan het “liederlijke uitgaansleven” van de studenten. Zijn fanciulli (de jeugdige zedenpolitie) verklikten iedereen die zich “misdroeg” en de verstikkende sfeer heeft er ongetwijfeld voor gezorgd dat er minder studenten (vooral buitenlanders) mee naar Firenze gekomen zijn toen in november 1497 de Studio Pisano uit Prato overgeheveld werd (zie art. Girolamo Savonarola en de Studio Fiorentino).

Maar het kon erger. Tijdens het carnaval in februari 1479 was in Pisa een caféruzie geëscaleerd tot een echte veldslag tussen buitenlandse studenten en burgers, waarbij verscheidene gewonden vielen. Toen er arrestaties verricht werden beriepen de studenten zich op hun privilegio fori en dreigden ze ermee om naar Siena (dat niet onder controle stond van Firenze) te trekken. Lorenzo de’ Medici is dan in hun voordeel tussenbeide gekomen om dat laatste te verhinderen.
Maar ook in Siena waren de inwoners niet erg opgezet met de komst van de studenten: er waren al protesten geweest bij de oprichting van het Casa della Sapienza en toen de studenten zich gingen mengen in de strijd tussen de politieke facties (van de Popolo en de Nove) in 1482/83 geraakten zij betrokken bij een echte burgeroorlog.
In Firenze was ongeveer hetzelfde gebeurd toen in 1498 een aantal studenten zich aangesloten hadden bij de compagnacci (de “slechte kompanen”) die mee voor de val van Savonarola gezorgd hebben.

6. Hoeveel bedroegen de kosten?
Studeren was een dure zaak en meestal voorbehouden aan zonen van gefortuneerde ouders. Waarschijnlijk zal er aanvankelijk collegegeld gevraagd zijn, maar de Medici hadden dat afgeschaft om het studeren in Pisa en Firenze aanlokkelijker te maken voor vreemde studenten.
Een verblijf in een “studentenhome” zoals het Casa della Sapienza van Siena, kostte voor een semester 50 gouden florijnen. Dat was een gigantisch bedrag, maar de internaatstudent kreeg daarvoor een (gedeelde) kamer, beddengoed, 3 maaltijden per dag, brandhout en bijlessen van repetitoren indien hij dat wenste.
Meestal huurde de student echter een kleine (oncomfortabele) kamer voor 3 tot 5 f. per jaar. In Siena moest de verhuurder daar belasting op betalen, die dan gebruikt werd voor de financiering van het Casa

Behalve de huur van een huis of kamer en het gewoon onderhoud waren er de inschrijvingskosten en moest er veel geld betaald worden aan de examencommissie en de diplomacommissie. Het inschrijvingsgeld voor de matricola, de studentenrol, was afhankelijk van de status van de student en de faculteit en bedroeg maximaal 1 gouden florijn. Voor de examens moest soms tot 20 f. neergeteld worden en na het uitreiken van de diploma’s was er het “verplichte” diner dat de afgestudeerde gemakkelijk 50 f. kon kosten. Alleen al dat laatste was meer dan het jaarloon van een geschoold ambachtsman (zie art. Overleven met een hongerloon in het Firenze van de 15de eeuw).
Bijlessen voor de grote groepen kostten 0,5 tot 1 f. en wie privélessen kreeg ten huize van de docent betaalde hem 1 tot 2 f.  voor een gans jaarpakket van 150 tot 200 lessen.

Arme studenten konden vrijstelling krijgen van een aantal zaken (o.a. van het examengeld), maar dan moesten zij bewijzen dat ze straatarm waren en niet iedereen was bereid om zo’n vernedering te ondergaan. Om het dure examengeld en de diplomakosten te omzeilen volgden vele studenten de colleges, die openbaar waren, maar legden geen examens af en kregen dus ook geen diploma. Dat was zeer waarschijnlijk het geval voor Niccoló Machiavelli (zie art. Waarom Niccolò Machiavelli nooit verkozen werd in de Florentijnse magistratuur). Dat systeem was uiteraard niet erg populair bij de docenten want die zagen een deel van hun inkomsten aan hun neus voorbij gaan.

Sommige studenten kregen een toelage van een patroon, van hun stad van herkomst of van een religieuze instelling (de geestelijken). Wie iets wou bijverdienen kon repetitor worden voor een beginnend student, nota’s en lesinhouden kopiëren of (al dan niet inwonend) bediende worden van een docent of een rijke student.

Dat het behalen van een diploma niet voor iedereen weggelegd was, wordt ook nog eens duidelijk met het geringe aantal afgestudeerden dat jaarlijks een doctoraatsdiploma kreeg. In Firenze waren dat er minder dan 10 gemiddeld per jaar. Dat had niet alleen te maken met het kostenplaatje, maar ook met het feit dat er daar uitzonderlijk en enkel in de rechten, geneeskunde en theologie einddiploma’s uitgereikt werden. In de studia humanitas werden er geen examens gehouden en geen graden verleend. Die vonden plaats in Pisa waar er gemiddeld jaarlijks zo’n 20 doctoraten  uitgereikt werden. In Siena schommelde het gemiddelde in de 15de eeuw tussen de 15 à 25 per jaar. De student kon ook genoegen nemen met een licentie (waarmee men lector kon worden aan de Studio), een baccalaureaat of een gewoon getuigschrift; dat was minder duur, maar gaf geen toegang tot topfuncties.

Maar er waren natuurlijk de uitzonderingen. Cristoforo Landino was als zoon van een leerlooier gaan studeren aan de Studio Fiorentino en hij is er daarna zelfs zonder diploma professor geworden. In 1458 had Landino dankzij de tussenkomst van Piero de’ Medici de leerstoel poëzie en retorica gekregen tot grote afgunst van zijn collega’s. Dat de zoon van een ambachtsman kon gaan studeren was op zich al een wonder en dat er vrijstellingen aan minder begoede studenten konden verleend worden waren bescheiden pogingen in democratische richting, maar het is duidelijk dat studeren en zeker afstuderen  in het Quattrocento een zaak voor de elite was.

Wat de overlast betreft is die sinds de 15de eeuw zeker minder gewelddadig geworden, maar lawaai maken en protesteren blijven, naast studeren natuurlijk, nog steeds de populaire bezigheden van de student. De nostalgische weemoed van de Oude Roldersklacht (o jerum, jerum, jerum… ) zal in de loop der tijden ook wel nooit veranderd zijn.

JVL 

The life of a university student in Quattrocentro Tuscany.

In the 15th century, Florence, Pisa and Siena were the 3 qualified universities in the present-day Tuscany region. All 3 were founded with papal and imperial permission in the first half of the 14th century as a studium generale with the required faculties: law (civil and canonical), medicine & arts and theology.
With a few hundred students and 30 to 40 teachers during their peak years, the studios  enjoyed varying degrees of success.

In the first half of the 15th century, Siena was the absolute market leader. The Studio Senese had the largest number of real, enrolled (foreign) students, and was financially stable. Pisa flourished in the 14th century but was academically dead after the occupation by the Florentines in 1406.
Florence was a point of attraction for students in the humanistic sciences, but after the transfer of Law and Medicine to Pisa by Lorenzo de' Medici in 1473, the Studio Pisaso had  a 2nd start and the Studio Fiorentino remained a kind of "rump university". Siena lost its leadership position and was degraded to a 2nd grade university after the conquest by the Florentines in 1555.

The life of a student at the 3 universities looked about the same. One could start studying at the very young age of 16/17.

1. Where did the lessons take place?
Education was provided at various places in the city centre. Lessons were also given in monasteries mostly having a library. In Pisa and Siena there was no central building where lectures could be given.
In Florence, the Palazzo dello Studio, a large house confiscated by the city that had been owned by the Ghibelline Tebaldini family, was used from 1392 onwards. The city council rented houses from citizens where the teachers could receive the students. They could also invite the students at their homes.

2. What did the student's daily schedule look like?
The academic year started in November and lasted 35 to 40 weeks of classes (due to all the holidays), so that lessons were given 4 to 5 days a week.
Regular classes took place from 6 to 9 in the morning (in cold rooms). The teacher taught in Latin (and Greek) from behind his cathedra (desk) or read aloud and the students sat on wooden benches and noted or memorized the subject matter. Between 9 and 12 students were debating, attending mass and having a lunch break. The morning activities (which were public) were part of the teacher's regular assignment for which he received his salary. The Palazzo dello Studio in Florence was usually closed in the afternoon.
From 1 pm to 4 pm, students could attend private lessons, when the teacher could elaborate on the subject matter for limited groups.
Between 4 pm and 6 pm, rehearsals were planned or extra lessons (by assistants or older students) were given to the rookies, who could afford it financially.
After supper, private lessons could be attended (by candlelight), which were usually held by a famous teacher in his own home for a small group and in private. In this way, he was able to communicate his personal, additional and sometimes unofficial vision of the subject matter to wealthy and interested students.
But students who did not need all this could go into town from noon.

3. Where did the students stay?
The students rented a dorm room from a citizen or a teacher or could spend the night in monasteries. 
In Siena, in a former orphanage, the Casa della Sapienza opened its doors in 1416, a boarding school where 50 to 60 (mostly very young) students could reside. Originally, the intention was to reserve the building to poor (and foreign) students who could get board and lodging there for free or for a modest fee. But when also rich students were housed in the Casa,  it became an interesting way to finance the business and the rich paid for the accommodation of the poor.

There is no knowledge of such a residence in Pisa: the Palazzo della Sapienza that Lorenzo de' Medici had built there in 1486 was the administrative seat of the university and not a boarding school or college building.
Following the example of Siena, some magistrates proposed in 1429 to build a similar residence in Florence. The planned Casa della Sapienza would be intended for about 50 poor students, half of whom non-Florentines. The politician and banker Niccolò da Uzzano was willing to finance the project, but due to the intervention of Cosimo de' Medici, the plan was not carried out because he was afraid of too much  noise disturbance  (see below).

In the Casa of Siena, the rules were very strict. A rector, elected by the students from among themselves, had to ensure that the morning mass was attended, that no gambling games (dice), weapons or women were smuggled in and that the curfew was respected. Violations were fined (the amount was deducted from the deposit that had been paid) and repeat offenders could be sent away. Apparently, there was  even a prison in the Casa.

4. What privileges did the students have?
Students of the Studio (and certainly foreigners) enjoyed various favorable measures. They could be exempted from some taxes (such as toll and gate fees) and could not be arrested for outstanding debts in their home city.
When committing crimes, the foreigners (the non-Florentines) enjoyed the privilegio fori, where they were not tried by the local judges but by a university court, which usually handed down more lenient sentences.

Most citizens often saw the foreign students as arrogant, privileged young people who thought they could make anything because they were immune to the local courts. They were also allowed to carry weapons to protect themselves but they were far too easily brought out in pub quarrels.
Students who belonged to the clergy fell under the ecclesiastical jurisdiction, but little nuisance and crime was expected of them.

The foreign students were organized into nations based on their geographical origin. There were the ultramontani (Germans, French, English, etc.) and the citramontani (the Italians from Venice, Lombardy, etc.). Students from the Low Countries were part of the German Nation. In contrast to Siena, because of the small number of students, those nations in Florence and Pisa would not have meant much.
The nations were associations that offered logistical help (housing) and legal protection to their compatriots or regional citizens. A membership fee was paid on arrival and the student took an oath. At the head of a nation was the consul elected by the members: he negotiated with the directors of the Studio and formulated any complaints of the students. If a teacher was regularly late, deviated from his curriculum or did not manage to complete the entire subject matter, this could also be punished. The fine was deducted directly from the salary.

5. How big was the nuisance?
When in 1429 there were plans in Florence for the construction of the Casa della Sapienza next to the church of San Marco, Cosimo de' Medici refused his support for that project. He lived not far away in the Via Larga and he feared to much nuisance in his neighbourhood. When Lorenzo de' Medici had a large part of the university transferred to Pisa in 1473, he is said to have done so for the same reason. But in both cases that was certainly not the main cause of their actions (see art. Lo Studio Fiorentino and the Medici).

University students had a reputation of being drunkards, gamblers, quarrellers and brothel visitors who constantly caused fuss and fights.
Sant'Antonino Pierozzi, archbishop of Florence and later saint, wrote in his Summa Moralis (1440-59) that the students, with their dissolute and unchristian behaviour, lowered the level of education and disturbed public order. Especially their noisiness and their lack of discipline bothered him. Antonino Pierozzi himself had received his training from the Dominicans and probably did not study at the studio, but he was born and raised near the studio, in the Torre dei Pierozzi at no. 25 of the Via dello Studio and so he knew what he was talking about.

Whether it was all that bad in Florence, given the strict control of the city council, is doubtful, but with the arrival of Savonarola in 1494, the “debauched nightlife” of the students was in any case curtailed. His fanciulli (the youthful morality police) snitched on anyone who "misbehaved" and the suffocating atmosphere undoubtedly ensured that fewer students (especially foreigners) came to Florence when the Studio Pisano was transferred from Prato in November 1497 (see art. Girolamo Savonarola and the Studio Fiorentino).

But it could be worse. During the carnival in February 1479, a taverne quarrel in Pisa had escalated into a real fight between foreign students and civilians, in which several people were injured. When arrests were made, the students invoked their privilegio fori and threatened to move to Siena (that was not under the control of Florence). Lorenzo de' Medici then intervened in their favour to prevent their departure.
But also in Siena the inhabitants were not very happy with the arrival of the students: there had already been protests at the opening of the Casa della Sapienza and when the students took part in the struggle between the political factions (of the Popolo and the Nove) in 1482/83 they became involved in a real civil war.
In Florence, more or less the same thing had happened when in 1498 a number of students had joined the compagnacci (the "bad companions") in their struggle to bring down Girolamo Savonarola.

6. How much was the cost?
Studying was an expensive business and usually reserved for sons of wealthy parents. Initially, tuition fees were probably charged, but the Medici had abolished them to make studying in Pisa and Florence more attractive to foreign students.
A stay in a "student home" such as the Casa della Sapienza in Siena cost 50 gold florins for a semester. That was a huge amount, but the boarding student received a (shared) room, bed linen, 3 meals a day, firewood and tutoring from older students.
Most of the time, however, the student rented a small (uncomfortable) room for 3 to 5 f. a year. In Siena, the landlord had to pay tax on this, which was then used to finance the Casa.

In addition to the rent of a house or room, his daily expenses, a student had to pay for his registration, the exams and diploma. The registration fee for the matricola, the student role, depended on the status of the student and the faculty with a maximum of 1 gold florin. For the exams sometimes up to 20 f. had to be paid and after the diploma ceremony there was the "compulsory" dinner that could easily cost the graduate 50 f. The latter alone was more than the annual wage of a skilled craftsman (see art. Surviving with a starvation wage in 15th-century Florence).
Tutoring for the large groups cost 0.5 to 1 f. and those who received private lessons at the teacher's house had to pay him 1 to 2 f.  for a whole year package of 150 to 200 lessons.

Poor students could get an exemption from a number of things (including the exam fee), but then they had to prove that they were penniless and not everyone was willing to undergo such humiliation. To avoid the expensive exam fees and diploma fees, many students attended the lectures, which were public, but did not take exams and therefore did not receive a diploma. That was most likely the case for Niccoló Machiavelli (see art. Why Niccolò Machiavelli was never elected as a magistrate in Florence). One can imagine that this was not very popular with the teachers because they saw part of their income pass them by.

Some students received an allowance from a patron, from their city of origin or from a religious institution (the clergy). Anyone who wanted to earn something extra could become a tutor for a starting student, copy notes and lesson content or become a servant (whether or not live-in) of a teacher or a wealthy student.

The fact that getting a diploma was an exclusive matter is also clear from the small number of graduates who received a doctoral degree every year. In Florence, there were fewer than 10 on average per year. This was not only due to the cost but also to the fact that final diplomas were awarded there exceptionally and only in law, medicine and theology. In the studia humanitas, no exams were held and no degrees were awarded. These took place in Pisa where an average of about 20 doctorates were awarded annually. In Siena in the 15th century, the average fluctuated between 15 and 25 per year. The student could also be content with a license (which allowed him to become a lecturer at the Studio), a baccalaureate or an ordinary certificate, which was less expensive but did not give access to top positions.

But of course there were the exceptions. Cristoforo Landino had gone to study at the Studio Fiorentino as the son of a tanner  and he even became a professor there without a diploma. In 1458, thanks to the intervention of Piero de' Medici, Landino had been given the chair of poetry and rhetoric, much to the envy of his colleagues. That the son of a craftsman could go to college was in itself a miracle and that exemptions could be granted to less well-off students were modest attempts in a democratic direction, but it is clear that studying and certainly graduating in the Quattrocento was a matter for the elite.

As far as the nuisance is concerned, it has certainly become less violent since the 15th century, but now adays making noise and protesting still remain the popular activities of the student, besides studying of course. The nostalgic old student song (o jerum, jerum, jerum...) will probably never have changed in the course of time.

Literatuur:
Davies, J.                     Culture and Power. Tuscany and its universities. Cambridge, 2009.
Idem                             Violence and Italian universities during the Renaissance.
                                       In: Renaissance Studies, vol.27, nr.4 (2023).
Fabbri, L.                     Un esilio in patria: lo Studio Fiorentino durante la Guerra di Pisa.
                                       In: Studium Fiorentinum, Roma, 2021.
Goldthwait, R.             The economy of Renaissance Florence.  Cambridge, 2009.
Grendel, P.                   The Universities of the Italian Renaissance.  Baltimore, 2004.
Van Laerhoven, J.        Zie art. Lo Studio Fiorentino en de Medici.
                                     zie art. Hoe de Studio Fiorentino uitgroeide tot een volwaardige universiteit.
                                     zie art. Girolamo Savonarola en de Studio Fiorentino.
                                     zie art. Overleven met een hongerloon in het Firenze van de 15de eeuw.
                                     zie art. Waarom Niccolò Machiavelli nooit verkozen werd in de magistratuur.
Verde, A.                      Lo Studio Fiorentino (1473-1503).  Firenze, 1973 e.v.

The University of Pisa and its history.
Storia dell'Ateneo | Università degli Studi di Siena.