Ferdinando II van Toscane en de Oorlog van Castro tegen de Barberini (1641-44).
Ferdinando II van Toscane en de Oorlog van Castro tegen de Barberini (1641-44).
Ondanks het feit dat groothertog Ferdinando II de’ Medici de neutraliteit van Toscane wilde behouden (de 30-jarige Oorlog woedde in alle hevigheid) werd hij in 1641 toch betrokken bij de Oorlog van Castro, een conflict tussen zijn schoonbroer Odoardo Farnese en paus Urbanus VIII. De in Firenze geboren pontifex, Maffeo Barberini, was druk in de weer om voor zijn familie (net zoals vele van zijn voorgangers en opvolgers) een staatje te creëren in Centraal-Italië (1). Hij had zijn zinnen gezet op het gebied rond Castro (gelegen in het huidige Lazio en grenzend aan Toscane) dat een leengoed was van de pauselijke staat, maar dat sinds het midden van de 16de eeuw bestuurd werd door de hertog van Parma & Piacenza.
Fig.1 Odoardo I Farnese (Anoniem, Galleria Nazionale di Parma)
Dat was sedert 1622 Odoardo I Farnese (zie fig.1), die getrouwd was met Margherita de’ Medici een zus van Ferdinando II, en die Parma, Piacenza en Castro geërfd van zijn betovergrootvader Pierluigi Farnese die het op zijn beurt van zijn pauselijke vader Alessandro Farnese (Paulus III) in 1537 gekregen hat vd. Toen Maffeo Barberini, die dezelfde dynastieke intenties had als zijn pontificale voorganger, het gebied wilde ontfutselen aan de Farnesi, kwam het tot een gewapend conflict dat bekend staat als de Oorlog van Castro of de Oorlog van de Barberini.
Aangezien Odoardo Farnese, de hertog van Parma niet van plan was om een deel van zijn grondgebied af te staan aan de Barberini had hij zijn leger in staat van paraatheid gebracht. Daarop besloot Urbanus VIII om troepen te sturen die op 13 oktober 1641 onder leiding van Fabrizio Savelli en Luigi Mattei de Rocca (het fort) van Castro kwamen bezetten (zie fig.2). In januari 1642 werd Odoardo dan ook nog eens in de kerkban geslagen.
Op 31 augustus 1642 sloten Toscane, Modena en Venetië een alliantie, de Liga van Venetië, die de expansiepolitiek van de paus een halt moest toeroepen en Parma de nodige hulp kwam geven. Spanje en de keizer hielden zich immers afzijdig en het Franse onderhandelingsaanbod van de “bemoeizieke” kardinaal Richelieu werd afgewezen. De Italianen wilden hun problemen zelf oplossen, een besluit dat Machiavelli vast en zeker zou toegejuicht hebben.
Ferdinando II stuurde een leger van 8.000 infanteristen en 1.000 cavaleristen naar Castro onder aanvoering van zijn jongere broer Mattia de’ Medici (zie fig.3), die zijn sporen verdiend had in de 30-jarige Oorlog (2). Samen met troepen uit Venetië en Modena kon hij het pauselijk leger, dat onder leiding stond van Urbanus’ neef Taddeo Barberini, terugdringen. Na een korte periode van steriele onderhandelingen ging het pauselijk leger weer in het offensief en moest Toscane in de lente van 1643 opnieuw naar de wapens grijpen (3).
Fig.3 Mattia de’ Medici (J.Sustermans, 1630-35, Gall. Palatina, Firenze)
Een groot leger van ca. 18.000 manschappen en 50 artilleriestukken onder het commando van prins Mattia en generaal Alessandro del Borro marcheerde langs de Val di Chiana naar de pauselijke staat. Op 19 en 26 juni 1643 werden Città della Pieve en Castiglione del Lago (aan het meer van Trasimeno) door Mattia de’ Medici bezet en ondertussen had zijn broer Ferdinando II 5 galeien van de Toscaanse vloot naar de kusten van Lazio gestuurd om de dreiging te verhogen. Maar de strijdmacht van Urbanus VIII, die ca. 24.000 eenheden telde, bleef echter niet bij de pakken zitten en koos resoluut voor de aanval.
Op 21 juli 1643 werd er slag geleverd in Nonantola (Emilia), waar het leger van Francesco d’Este, de hertog van Modena, die vreesde voor een aanval op Ferrara, onder het commando van maarschalk Raimondo Montecocculi het pauselijk leger van Antonio Barberini nog kon verslaan.
Maar begin augustus 1643 wisten de papalini in Pontelagoscuro (Ferrara) onder leiding van dezelfde Antonio Barberini een belegering door de troepen van de Liga, aangevoerd door prins Mattia, af te slaan en in het tegenoffensief te gaan.
Op 4 september kon de Medici-prins in Montegiovino (provincie Grosseto) dan weer een belangrijke zege behalen op het pauselijke leger; er werden 4.000 gevangenen gemaakt onder wie generaal Alessandro del Marra die later in dienst trad van Spanje en Venetië en toen de “schrik der Turken” werd genoemd.
Ook de aanval op 3 oktober van de pauselijke troepen onder leiding van de Franse markies Jean d’Estampes de Valencay op de stad Pistoia werd een mislukking. Dankzij het optreden van Florentijns commissaris Piero Capponi, een afstammeling van de legendarische held uit 1494 (zie art. De klaroenen van Karel VIII en de kerkklokken van Piero Capponi) en een eigen legertje van vrijwilligers kon Pistoia na een heroïsche strijd stand houden in afwachting van groothertogelijke militaire steun. Prins Mattia liet in allerijl 15.000 nieuwe rekruten aanwerven om de oorlog, die nu akelig dichterbij kwam (want Pistoia ligt amper op 40 km van Firenze), verder te zetten.
Op 24 oktober 1643 werd de strijd beslist toen de Liga onder aanvoering van don Alonso Strozzi in Pitigliano (ten noorden van het meer van Bolsena in de huidige provincie Grosseto) het pauselijk leger van Antonio Barberini een zware nederlaag kon toebrengen. Op 31 maart 1644 werd dan tenslotte de Vrede van Venetië (of Ferrara) gesloten waarbij Castro in het bezit bleef van de Farnesi. De oorlog had de pauselijke tresorier 12 miljoen scudi gekost en ook Ferdinando had diep in de groothertogelijke geldkist moeten graaien. Urbanus VIII overleed enkele maanden later op 29 juli 1644 (zie fig.4).
Opmerkelijk was het inschakelen door de Toscaanse groothertog van struikroversbendes (briganti) zoals die van fra Paolo (Tiberio Aquillatti) en Guilio Pezzola del Borghetto bij de oorlogsvoering. In ruil voor geld of een feudum (leengoed) werden zij bereid gevonden om het pauselijk territorium te teisteren en de Barberini zoveel mogelijk schade te berokkenen. Ferdinando heeft daarbij zeer waarschijnlijk ook gebruik gemaakt van de “diensten” van Pier Maria di Tommaso de’ Medici (een ver familielid) die met het onderscheppen van militaire transporten of boodschappers, ontvoeringen, brandstichting en plundering met grote ijver voor de Toscaanse zaak, maar vooral voor zichzelf werkte. In 1649 (toen de oorlog voorbij was) heeft Ferdinando hem laten elimineren door zijn sicari (huurmoordenaars).
Blijkbaar was de oorlog van Castro het laatste militaire conflict waar Toscane in verwikkeld geraakt is en het duurde tot 1799 vooraleer het groothertogdom een vreemde bezetting (van de Fransen) kreeg. Nochtans had paus Innocentius X (Giovanni Battista Pamphili), die Urbanus VIII was opgevolgd, in 1646 de hostiliteiten met Castro hervat (de zg. 2de oorlog van Castro), maar dit keer had Ferdinando II geen interesse (en geld) meer om Ranuccio II Farnese, de zoon en opvolger van Odoardo, bij te staan. Toen de door Innocentius X benoemde bisschop van Castro, Cristoforo Giarda, op weg was naar zijn diocees werd hij door onbekenden vermoord. De paus beschuldigde de Farnesi van de moord en verklaarde hen de oorlog. Pontificale troepen onder aanvoering van kardinaal Gianbattista Pallotta veroverden het gebied en Castro werd in september 1649 met de grond gelijk gemaakt. Het hertogdom Castro werd bij de pauselijke staat gevoegd en Ranuccio moest zich tevreden stellen met Parma en Piacenza. Uiteindelijk had het pausdom dan toch zijn slag thuis gehaald, maar mits een zware humanitaire en financiële kost.
(1) Maffeo Barberini was bekend voor zijn nepotisme en voor het spenderen van enorme sommen aan zijn eigen roem. Toen hij in 1625 de bronzen dakbalken uit de portiek van het Pantheon liet weghalen om er o.a. door Bernini het baldakijn mee te laten maken boven het hoofdaltaar van Sint-Pieters, beweerden de Romeinen dat “Quod non fecerunt barbari, fecerunt Barberini” (“Wat de barbaren niet deden, deden de Barberini”).
(2) Mattia(s) de’ Medici was de 2de zoon van groothertog Cosimo II en verruilde reeds op jonge leeftijd zijn kerkelijke carrière voor een militaire. Hij vocht in de 30-jarige oorlog in dienst van keizer Ferdinand II en had zich onderscheiden bij de inname van Regensburg (1631) en de slag bij Lützen (1632). In 1641 werd hij door zijn oudere broer en groothertog Ferdinando II tot gouverneur van Siena benoemd.
(3) Behalve een klein staand leger (voor de paus was dat zijn garde) hadden Ferdinando II en Urbanus VIII huurlingentroepen (Italianen, Duisters, Spanjaarden…) en vooral manschappen van de stedelijke milities uit de regio ter beschikking.
JVL
Ferdinando II of Tuscany and the War of Castro against the Barberini (1641–44)
Despite the fact that Grand Duke Ferdinando II de' Medici wanted to maintain the neutrality of Tuscany (when the 30 Years' War raged in all its intensity), he became nevertheless involved in the War of Castro, a conflict between his brother-in-law Odoardo Farnese and Pope Urban VIII in 1641. The Florence-born pontifex, Maffeo Barberini, was trying to create a small state for his family (like many of his predecessors and successors) in central Italy (1). He had set his mind on the area around Castro (located in present-day Lazio and bordering Tuscany), which was a fief of the Papal State, but ruled by the Duke of Parma & Piacenza since the middle of the 16th century.
That duke was Odoardo I Farnese (see fig.1), who was married to Margherita de' Medici, a sister of Ferdinando II, and who had inherited Parma, Piacenza and Castro in 1622 from his great-great-grandfather Pierluigi Farnese, who in turn had received it from his papal father Alessandro Farnese (Paul III) in 1537. When Maffeo Barberini, who had the same dynastic intentions as his pontifical predecessor, wanted to wrest the area from the Farnesi, an armed conflict broke out known as the War of Castro or the War of the Barberini.
But Odoardo Farnese, the Duke of Parma, had no intention of ceding part of his territory to the Barberini, and had put his army on alert. Urban VIII then decided to send troops who came to occupy the Rocca (the fortress) of Castro on October 13th 1641 under the command of Fabrizio Savelli and Luigi Mattei (see fig.2). In January 1642, Odoardo was excommunicated from the church.
So on August 31st 1642, Tuscany, Modena and Venice formed an alliance, the League of Venice, which was to put a stop to the pope's expansionist policy and give Parma the necessary support. Spain and the emperor remained aloof and the French offer of negotiations from the "meddlesome" cardinal Richelieu was rejected. The Italians decided to solve their problems themselves, a decision that Machiavelli would certainly have applauded.
Fig.2 Castro (J.Blaeu, Amsterdam, 1663)
Ferdinando II sent an army of 8,000 infantry soldiers and 1,000 horsemen towards Castro under the command of his younger brother Mattia de' Medici (see fig.3), who had made his mark in the 30 Years' War (2). With the support of troops from Venice and Modena, he was able to push back the papal army, led by Urban's nephew Taddeo Barberini. After a short period of sterile negotiations, the papal army renewed their attacks and Tuscany had to resort to arms again in the spring of 1643 (3).
A large army of about 18,000 men and 50 artillery pieces commanded by Prince Mattia and General Alessandro del Borro marched along the Val di Chiana into the Papal State. On June 19 and 26, 1643, Città della Pieve and Castiglione del Lago (on Lake Trasimeno) were occupied by Mattia de' Medici, and in the meantime his brother Ferdinando II had sent 5 galleys of the Tuscan fleet to the coasts of Lazio to increase the threat. But the force of Urban VIII, which numbered about 24,000 men, did not sit back and launched a counter-attack.
On July 21st 1643, a battle was fought in Nonantola (Emilia), where the army of Francesco d'Este, the Duke of Modena fearing an attack on Ferrara, under the command of Marshal Raimondo Montecocculi, was able to defeat the papal army of Antonio Barberini. But at the beginning of August 1643, the papalini, led by the same Antonio Barberini, managed to avert the siege of Pontelagoscuro (Ferrara) by the troops of the League commanded by Mattia de’ Medici.
Fig.4 Urbanus VIII (P. da Cortona, Fitzwulliam Museum Cambridge)
On September 4th the Medici prince was able to gain an important victory over the papal army in Montegiovino (province of Grosseto); 4,000 prisoners were taken, including General Alessandro del Marra, who later entered the service of Spain and Venice and was then called the "terror of the Turks".
The attack on October 3rd by papal troops led by the French Marquis Jean d'Estampes de Valencay on the city of Pistoia resulted in another failure. Thanks to the intervention of Florentine commissioner Piero Capponi, a descendant of the legendary hero from 1494 (see art. The clarions of Charles VIII and the church bells of Piero Capponi) and his own army of volunteers, Pistoia was able to stand firm after a heroic battle in anticipation of Grand Ducal military support. Prince Mattia hastily enlisted 15,000 new recruits to continue the war, which was now coming awfully closer (because Pistoia is barely 40 km from Florence).
On October 24th 1643, the war was decided when the League led by don Alonso Strozzi was able to inflict a heavy defeat on the papal army of Antonio Barberini in Pitigliano (north of Lake Bolsena in the present-day province of Grosseto). Finally, on March 31st 1644, was signed the Peace of Venice (or Ferrara), whereby Castro remained in possession of the Farnesi. The war had cost the papal treasury 12 million scudi and likewise Ferdinando’s expenses were enormous. Urban VIII died a few months later on July 29th 1644 (see fig.4).
Very remarkable was the use in warfare by the Tuscan Grand Duke of briganti (bandits) such as Fra Paolo (Tiberio Aquillatti) and Guilio Pezzola del Borghetto. In exchange for money or a feudum (fief), they were found willing to ravage the papal territory and inflict as much damage as possible on the Barberini. Ferdinando most likely also used the “services” of Pier Maria di Tommaso de’ Medici (a distant relative) who strived with intercepting military transport or messengers, arson, kidnapping and looting for the Tuscan cause but even more specifically for himself. In 1649 (when the war was over) Ferdinando had him eliminated by his sicari (assassins).
Apparently, the war of Castro was the last military conflict in which Tuscany became embroiled and it was not until 1799 that the Grand Duchy received a foreign occupation (from the French).
However in 1646, Pope Innocent X (Giovanni Battista Pamphili), who had succeeded Urban VIII, renewed the hostilities with Castro (the so-called 2nd War of Castro), and this time Ferdinando II had no more desire (and money…) to assist Ranuccio II Farnese, the son and successor of Odoardo. When the bishop of Castro, Cristoforo Giarda, appointed by Innocent X, was on his way to his diocese, he was murdered by unknown attackers. The pope accused the Farnesi of the murder and declared war on them. Pontifical troops commanded by cardinal Gianbattista Pallotta conquered the area and Castro was razed to the ground in September 1649. The Duchy of Castro was annexed to the Papal State and Ranuccio was left with Parma and Piacenza. So in the end, the papacy had won the war, but at a heavy humanitarian and financial cost.
(1) Maffeo Barberini was known for his nepotism and for spending enormous sums on personal fame. When in 1625 he had the bronze roof beams removed from the portico of the Pantheon in order to have Bernini use them to make the canopy above the high altar of Saint Peter's, the Romans claimed that "Quod non fecerunt barbari, fecerunt Barberini" ("What the barbarians did not do, the Barberini did").
(2) Mattia(s) de' Medici was the 2nd son of Grand Duke Cosimo II and exchanged his ecclesiastical career for a military career at a young age. He fought in the 30 Years' War in the service of Emperor Ferdinand II and had distinguished himself at the siege of Regensburg (1631) and the battle of Lützen (1632). In 1641 he was appointed governor of Siena by his grand ducal brother Ferdinando II.
(3) In addition to a small standing army (such as the papal guard), Ferdinando II and Urban VIII had mercenary troops (Italians, Germans, Spaniards...) and mostly men of the urban militias from the region at their disposal.
Literatuur:
Chiovelli, R. Cronologia delle prima guerra di Castro (1641-44).
(Biblioteca e Società, 30 juni 1994).
Dorini, U. I Medici e i loro tempi. Firenze,1989.
Giommarelli, L. Castiglione del Lago e la guerra di Castro
Microsoft Word - Affresco-2.doc
Grassellini, E e.a. Profili Medicei. Firenze, 1982.
Ircani-Menechini, P. L’esercito del papa all’assedio di Pistoia e nella montagna a Sambuca (1643)
(5 dec. 2024)
Tummiatti, A Ariano nel Polesine; la Guerra dei Barberini 1643/44.
In: Il Popolo Veneto, 21 juni 2025.
Van Laerhoven, J. De Medici-groothertogen. Herk-de-Stad, 2013.
De klaroenen van Karel VIII en de kerkklokken van Piero Capponi.