Is Leonardo da Vinci’s Mona Lisa uit het Louvre nog steeds de enige echte?

Is Leonardo da Vinci’s Mona Lisa uit het Louvre nog steeds de enige echte?

Het Parijse Louvre gaat er prat op om het bekendste werk van Leonardo in zijn bezit te hebben. In de museumcatalogus wordt er naar verwezen als “Portrait de Lisa Gherardini, épouse de Francesco del Giocondo, dit La Joconde ou Monna Lisa” (1).

In zijn inventaris van de koninklijke collectie gebruikte de Italiaanse antiquair Cassiano del Pozzo in 1625 voor het eerst de naam la Gioconda of la Joconde, waarmee hij er geen twijfel liet over bestaan dat het een portret was van Lisa, de vrouw van Francesco del Giocondo. Die notering is dan sindsdien door alle curatoren van het museum overgenomen, maar dat was misschien wat misleidend want niet iedereen gaat met die identificering akkoord (zie art. Wie is de Mona Lisa van Leonardo?).

Fig.1 Mona Lisa, Salle des États (Aile Denon/Louvre).

De Mona Lisa van het Louvre is een met olieverf beschilderd paneel van populierenhout dat 77 bij 53 cm meet. Het portret is het onderwerp van een aantal tegenstrijdige ontstaanstheorieën geworden.

1. Eén origineel schilderij (het oertype) dat aangepast werd:
Leonardo-experten zoals Martin Kemp en Frank Zöllner gaan er nog steeds vanuit dat er slechts één originele Mona Lisa is waaraan Leonardo begonnen is in 1503 en die na een visuele metamorfose pas haar uiteindelijke vorm gekregen heeft in 1517. Alle andere versies zijn kopieën.
Het portret werd door Leonardo opgestart in zijn Florentijns atelier in 1503, door de meester in het najaar van 1516 mee genomen naar Amboise en aangepast tussen 1513 en 1517 (zie fig.1)
Samen met enkele andere werken van Leonardo werd het in 1518 of 1525 verkocht aan de Franse koning om uiteindelijk in 1793 in de collectie van het Louvre terecht te komen (zie art. Commentaren bij de verkoop van de Mona Lisa aan Frans I).

Zowel Giorgio Vasari in zijn Vite als Agostino Vespucci in zijn Heidelbergse aantekening bevestigen dat Leonardo in 1503 aan een portret van Mona Lisa aan het penselen was (2). 
Het portret is blijkbaar nooit afgeleverd (en ook nooit betaald) en Leonardo heeft het zijn ganse leven overal meegenomen en er constant wijzigingen op aangebracht. Dat is ook af te leiden uit de verscheidene scanonderzoeken die er in de loop van de afgelopen decennia gebeurd zijn.

Leonardo da Vinci’s persoonlijk handelsmerk was zijn sfumato. Hij maakte gebruik van zeer dunne, transparante glacislagen om kleuren subtiel op te bouwen en zachte overgangen tussen licht en schaduw te creëren. Door meerdere verflagen over elkaar aan te brengen, kreeg het portret een ruimtelijke diepte en een zachte en mysterieuze uitstraling.
Dat wordt duidelijk met infraroodscans die ook laten zien dat Leonardo de positie van de vingers van de linkerhand gaandeweg licht heeft gewijzigd om de houding natuurlijker te maken.
In een eerdere fase droeg de geportretteerde een haarspeld die later is overgeschilderd en een sluier die subtiel is aangepast in de uiteindelijke compositie.
Onder de toplaag zijn ook een iets andere hoofdhouding, smallere lippen en een fijnere neus te ontdekken. Op het eindresultaat (van ca. 1517) is dan een zelfbewuste, mature vrouw van een heel eind in de 30 zichtbaar geworden.

Fig.2 Reconstructie Jonge Lisa (P.Cotte)

In 2004 werden er bij een radiologisch onderzoek door een externe medewerker van het museum, Pascal Cotte, ondertekeningen gevonden, die volgens hem aantoonden dat het oorspronkelijk portret van een jongere vrouw onder de verflagen verborgen zat. Daaruit heeft hij dan geconcludeerd dat die onderliggende figuur de “eerste” of de “vroege Mona Lisa” geweest is. Op hetzelfde schilderij waren er dus verschillende versies over elkaar geschilderd. De afbeelding die hij gereconstrueerd heeft is een artificiële oefening en blijft dus pure fictie (zie fig.2).                                     

Cotte’s bevindingen werden echter sceptisch bekeken (o.a. door Kemp) omdat het herschilderen en aanpassen van een werk niet abnormaal was en dat er niet hoefde gezocht te worden naar een onderliggende figuur die dan de eerste versie uit 1503 moest zijn.
Kemp gaat ook niet akkoord met de visie van kunsthistoricus Rob Hatfield, die beweert dat er 3 versies van Mona Lisa op hetzelfde paneel over elkaar geschilderd zijn, die achtereenvolgens dateren van 1503, 1504-6 en later (vanaf 1510?). Het portret uit het Louvre is dan de laatste fase van het proces.
In dit verband kan er ook gewezen worden op de evolutionaire theorie van Serge Bramley en Charles Nicholl, die aangevoerd hebben dat het origineel van 1503 (met een jonge Lisa) op vraag van Giuliano de’ Medici in 1513 overschilderd en aangepast zou geworden zijn (3).

Er zijn nog veranderingen aangebracht op het schilderij tot vlak vóór Leonardo’s dood in 1519. Hij zou (volgens de Franse chemicus Philippe Walter) met nog meer flinterdunne glazuurlagen rond ogen en mond de harde lijnen weggewerkt hebben en ook het landschap het atmosferisch uitzicht gegeven hebben. Of hij die pentimenti zelf aangebracht heeft kan betwijfeld worden, gezien de verlamming in zijn hand. (zie art. In hoeverre heeft zijn verlamde rechterhand op het oeuvre van Leonardo impact gehad.).

Het is niet uitgesloten dat Leonardo begonnen is met het portret van een bestaande dame dat vervolgens geëvolueerd is in de loop der jaren tot een soort van persoonlijk wetenschappelijk en artistiek proefproject dat hij altijd bij zich hield. Dat zou ook al de aanpassingen verklaren en zijn streven naar perfectie. Voor Leonardo was een schilderij nooit af. Dat sluit dan aan bij de theorie van Pietro Marani dat de Mona Lisa uiteindelijk een geïdealiseerd portret geworden is. Maar waarom er dan juist geëxperimenteerd werd met het portret van deze dame (die Lisa del Giocondo kan geweest zijn) is niet erg duidelijk. Misschien had de opdrachtgever geen haast of was de bestelling afgezegd of wilde Leonardo het portret niet meer afgeven omdat hij het nooit kon voltooien? (4).

Volgens de oertype-theorie werkte Leonardo aan het origineel en zijn leerlingen aan een kopie waarop zij dan nauwgezet en parallel de wijzigingen overnamen. Het lijkt wel of de meester met zijn assistenten bezig was aan een jarenlange masterclass, waarbij nieuwe composities, pigmenten en technieken werden uitgeprobeerd (5).

2. Eén van twee simultaan geschilderde originelen:
Reeds van in de vorige eeuw is er door verscheidene kunstkenners zoals Salvatore Lorusso, Andrea Vitali en Stanley Feldman op gewezen dat het portret uit het Louvre niet de enige originele versie van Leonardo’s Mona Lisa is. In dat verband gaat het over de zogenaamde “vroege versie” van Isleworth  die in 2012 door de Zwitserse Mona Lisa Foundation naar voor geschoven werd.

Van Vasari kan verondersteld worden dat hij het schilderij uit het Louvre zelf niet gezien heeft (hij is geboren in 1511 en nooit in Frankrijk geweest), maar toch geeft hij in zijn Vite een nauwkeurige beschrijving van de wimpers en de wenkbrauwen van de geportretteerde, terwijl die details juist ontbreken op de Mona Lisa van Parijs. Dat zou dan een gevolg zijn van de verschillende vernislagen die er in de loop der tijden overheen gegaan zijn en de slechte restauraties (6).
Het is echter ook mogelijk dat hij een andere versie gezien heeft (dat zou die uit Isleworth kunnen geweest zijn toen hij in 1566 in Milaan was) of dat hij de informatie over het schilderij uit 2de hand gekregen heeft.
Uit Agostino Vespucci’s nota kan men afleiden dat hij in Firenze in 1503 een portret van Leonardo’s Mona Lisa gezien heeft, dat nog in ontwikkeling was (hij spreekt van “het hoofd van Lisa del Giocondo”), maar dat hoeft dan niet noodzakelijk het exemplaar uit het Louvre geweest te zijn.

Misschien heeft Vasari de Mona Lisa van het Prado (de atelierkopie) gezien. Deze kopie waarvan men denkt dat ze gelijktijdig met de 2 originelen (Louvre en Isleworth) in het atelier van Leonardo da Vinci in Florence werd geschilderd, bevond zich in de 16de eeuw waarschijnlijk nog in Italië (zie art. Waarom is de Mona Lisa uit het Prado een atelierkopie en geen origineel?).

Er zijn van de Mona Lisa enorm veel kopieën gemaakt, waarbij men dan een duidelijk onderscheid moet maken tussen gewone kopieën (of nabootsingen) uit de late 16de, 17de en volgende eeuwen (zoals bijvoorbeeld de Walters-Mona Lisa, de Vernon-Mona Lisa, de Reynolds-Mona Lisa en de Mona Lisa uit de Hermitage) en de “atelierproducties” waar Leonardo en leerlingen gelijktijdig in de studio aan gewerkt hebben (7).  

3. Eén van twee originele schilderijen uit verschillende perioden;
Auteurs zoals John Eyre, Guy Isnard, en Jean-Pierre Isbouts zijn van mening dat Leonardo  niet enkel 2 aparte Mona Lisa’s geschilderd heeft, maar dat het portret uit het Louvre niet in 1503, maar van latere datum is dan het portret uit Isleworth (zie art. Kan het portret van Isleworth als een eerdere versie van de Mona Lisa beschouwd worden?).
Beide portretten (van dezelfde dame) zijn dan Leonardo-originelen, die eventueel door verschillende opdrachtgevers kunnen besteld zijn geworden: dat zou dan in 1503 Francesco del Giocondo geweest zijn en in 1513 Giuliano de’ Medici (zie art. Mona Lisa, Lisa dei Gherardini, Francesco del Giocondo en Giuliano de’ Medici).
Hiermee zou ook het verschil in leeftijd van de Mona Lisa’s kunnen verklaard worden. Het zijn 2 verschillende werken en het is dat laatste portret (de versie uit 1513) dat in het Louvre hangt. Er kan dus van een 1ste (Isleworth) en een 2de versie (Louvre) sprake zijn en dan is de Parijse Mona Lisa ook niet meer het enige en eerste “origineel”.

4. De complottheorieën:
Dat zou natuurlijk geen goed nieuws zijn voor het Louvre, maar het kan nog erger wanneer men de theorie accepteert dat de Parijse Mona Lisa een kopie zou zijn. Silvano Vinceti denkt dat het een kopie is die Leonardo’s leerling Salai gemaakt heeft.  De Franse antiquair Raymond Hekking beweerde dat er na de diefstal van de Mona Lisa in 1911 verscheidene kopieën gemaakt zijn waarvan er één in het Louvre is terechtgekomen in de plaats van het origineel (zie art. Hotel la Gioconda in Firenze)
Na de 2de Wereldoorlog zouden de Nazi’s met de echte Mona Lisa aan de haal gegaan zijn en zou er een valse in het Parijse museum zijn teruggekeerd.

Aan al dat soort ongeloofwaardige verhalen wordt echter weinig geloof gehecht omwille van de onmiskenbare zeer hoogstaande kwaliteit van het portret uit het Louvre en voorlopig kunnen de miljoenen bezoekers er nog steeds vanuit gaan dat zij oog in oog staan met een “echte” Mona Lisa van Leonardo, maar met dien verstande dat het is misschien niet meer de enige is…

 

(1)    Monna (afkorting van madonna) wordt inderdaad met dubbele n geschreven, maar overal en door iedereen wordt de naam met 1 n geschreven
(2)    Agostino Vespucci had in 1503 een aantekening in verband met de Griekse schilder Apelles en Leonardo gemaakt in een boek met teksten van Cicero in de universiteitsbibliotheek van Heidelberg. Net als Vasari vertelde hij dat het portret onvoltooid was.
(3)    Antonio de Beatis bericht daarover in zijn reisverslag van oktober 1517.
(4)    John Eyre schreef hierover dat Francesco del Giocondo zijn portret al gekregen had (dat was de versie van Isleworth) en dat Leonardo de 2de versie (Louvre) bijgehouden en verder uitgewerkt heeft.
5)    Martin Kemp is van oordeel dat Leonardo’s leerlingen niet in staat waren om de finesse van hun meester te evenaren, vandaar dat hij sommige werken (zoals Isleworth en Madrid) als kopieën beschouwt.
(6)    Pascal Cotte had de wenkbrauwen en wimpers opgemerkt in de onderliggende tekeningen.
(7)    Tot die atelier-kopieën wordt behalve de Mona van het Prado (Madrid) ook La Gioconda di Montecitorio (Rome) gerekend.

JVL

Is Leonardo da Vinci’s Mona Lisa from the Louvre still the only real one?

The Louvre in Paris prides itself on having Leonardo's most famous work in its possession. In the museum catalogue it is referred to as "Portrait de Lisa Gherardini, épouse de Francesco del Giocondo, dit La Joconde ou Monna Lisa" (1).

In his inventory of the royal collection, the Italian antiquarian Cassiano del Pozzo first used the name la Gioconda or la Joconde in 1625, leaving no doubt that it was a portrait of Lisa, the wife of Francesco del Giocondo. That listing has since then been adopted by all the museum curators, but that may have been a bit misleading because not everyone agrees with that identification (see art. Who is Leonardo’s Mona Lisa?).

The Mona Lisa of the Louvre is an oil-painted poplar wood panel that measures 77 by 53 cm. The portrait has become the subject of a number of contradictory theories of origin.

1.One original painting (the archetype) that has been adapted:
Leonardo experts such as Martin Kemp and Frank Zöllner still assume that there is only one original Mona Lisa, which Leonardo started in 1503 and which, after a visual metamorphosis only took its final form in 1517. All other versions are copies.
The portrait had his origins in his Florentine studio in 1503, taken to Amboise by the artist in the autumn of 1516 and modified between 1513 and 1517 (see fig.1).
The painting, along with several other works by Leonardo, was sold to the French king in 1518 and eventually ended up in 1793 in the collection of the Louvre (see art. Comments on the sale of the Mona Lisa to King Francis I).

Both Giorgio Vasari in his Vite and Agostino Vespucci in his Heidelberg note confirm that Leonardo was painting a portrait of Mona Lisa  in 1503 (2).  The portrait was apparently never delivered (and never paid for) and Leonardo took it all his life with him and constantly made changes to it. This can also be deduced from the various scan examinations that have been carried out over the past decades.

Leonardo da Vinci's personal trademark was his sfumato. He used very thin, transparent glacial layers to subtly build up colours and create soft transitions between light and shadow. By applying several layers of paint on top of each other, the portrait gained a spatial depth and a soft and mysterious appearance.
This becomes clear with infrared scans that also show that Leonardo has slightly changed the position of the fingers of the left hand to make the posture more natural.
In an earlier phase, the sitter wore a hairpin that was later painted over and a veil that was subtly adjusted in the final composition.
Under the top layer, a slightly different head posture, narrower lips and a finer nose can also be discovered. The end result (from ca. 1517) presents a self-confident, mature woman in her late 30s.

In 2004, a radiological examination by an external employee of the museum, Pascal Cotte, disclosed underdrawings, which showed that the original portrait of a younger woman was hidden under the layers of paint. From this he did conclude that the underlying figure was the "first" or the "early Mona Lisa". In the same portrait different versions were painted on top of each other. The image that he produced is an artificial exercise and therefore remains purely fictional (see fig.2).                                      

However, Cotte's findings were received with scepticism (e.g. by Kemp) because repainting and adapting a work was not abnormal and that there was no need to look for an underlying figure that then had to be the first version from 1503.
Kemp also disagrees with the view of art historian Rob Hatfield, who is convinced that there are 3 versions of Mona Lisa painted on top of each other on the same panel, dating successively from 1503, 1504-6 and later (from 1510 onwards?). The portrait of the Louvre is then the final phase of the process.
In this context, reference can also be made to the evolutionary theory of Serge Bramley and Charles Nicholl, who argued that the original of 1503 (with a young Lisa) was painted over and adapted in 1513 at the request of Giuliano de' Medici (3).

Changes were made to the painting until just before Leonardo's death in 1519. According to the French chemist Philippe Walter, he eliminated the hard lines with even more wafer-thin glaze layers around the eyes and mouth and gave the landscape its atmospheric appearance. Whether he applied the pentimenti himself can be doubted, given the paralysis in his hand. (see art. To what extent has his paralyzed right hand had an impact on Leonardo's oeuvre?).

It is not excluded that Leonardo started with the portrait of an existing lady that has evolved over the years into a kind of personal scientific and artistic trial project that he always kept with him. That would also explain all the adjustments and his pursuit of perfection. For Leonardo, a painting was never finished.
This is in line with Pietro Marani's theory that the Mona Lisa eventually became an idealized portrait. Why he experimented so much with the portrait of this lady (who may have been Lisa del Giocondo) is not very clear. Perhaps the client was not in a hurry or the order had been cancelled or Leonardo no longer wanted to hand over the portrait because he could never finish it? (4).

According to the archetype theory, Leonardo worked on the original while his students painted their own version with the meticulously and parallel copied changes. It seems as if the master and his assistants were working on a masterclass, a pilot project, in which new compositions, pigments and techniques were tried out (5).

2. One of two simultaneously painted originals:
As early as the last century, various art experts such as Salvatore Lorusso, Andrea Vitali and Stanley Feldman have pointed out that the portrait from the Louvre is not the only original version of Leonardo's Mona Lisa. It concerned the so-called "early version" of Isleworth that was put forward by the Swiss Mona Lisa Foundation in 2012.

It can be assumed that Vasari never saw the Louvre-painting (he was born in 1511 and never visited France), but in his Vite he gave an accurate description of the eyelashes and eyebrows of the sitter, details that are missing in the Parisian portrait. This must have been caused by the various layers of varnish and the poor restorations (6).
However, it is also possible that he saw a different version (which could have been the one from Isleworth when he was in Milan in 1566) or that he received second-hand  information.
From Agostino Vespucci's note one can deduce that he saw a portrait of Leonardo's Mona Lisa in Florence in 1503, that was still in the making (he speaks of "the head of Lisa del Giocondo"). But that does not necessarily mean that is was the one from the Louvre.

Perhaps Vasari may have seen the Mona Lisa of the Prado. This copy, which is thought to have been painted at the same time as the 2 originals (Louvre and Isleworth) in Leonardo da Vinci's workshop in Florence, was probably still in Italy in the 16th century (see art. Why is the Mona Lisa from the Prado a studio copy and not an original?).

A huge number of copies of the Mona Lisa have been made, whereby a clear distinction must be made between ordinary copies (or imitations) from the late 16th, 17th and subsequent centuries (such as the Walters-Mona Lisa, the Vernon-Mona Lisa, the Reynolds-Mona Lisa and the Mona Lisa from the Hermitage) and the "studio productions" that Leonardo and students worked on simultaneously in the studio (7).

3. One of two original paintings from different periods:
Authors such as John Eyre, Guy Isnard, and Jean-Pierre Isbouts are convinced that Leonardo not only painted 2 separate Mona Lisas, but that the portrait from the Louvre is of a later date than the portrait from Isleworth (see art. Can the Isleworth portrait be considered an earlier version of the Mona Lisa?).
Both portraits (of the same lady) are da Vinci originals, but commissioned by different patrons: in 1503 that would have been Francesco del Giocondo and in 1513 Giuliano de' Medici (see art. Mona Lisa, Lisa dei Gherardini, Francesco del Giocondo and Giuliano de' Medici). This could also explain the difference in age of the Mona Lisas. The 1513 version is exhibited in the Louvre.

If one accepts the existence of 2 original works (Isleworth and Louvre), painted simultaneously or in different periods, the Parisian portrait is no longer “the one and only” Mona Lisa anyway.

4. The conspiracy theories:
Of course, that would not be good news for the Louvre, but it could be even worse if one agrees with the theory that their Mona Lisa would be a copy.
Silvano Vinceti believes that it is a copy made by Leonardo's pupil Salai.  The French antique dealer Raymond Hekking claimed that after the theft of the Mona Lisa in 1911, several copies were made, one of which ended up in the Louvre instead of the original (see art. Hotel la Gioconda in Florence)
After the 2nd World War, the Nazis would have run off with the real Mona Lisa and a fake one would have returned to the Paris museum.

However, little credence is given to all these implausible stories because of the undeniably very high quality of the Louvre-portrait and for the time being the millions of visitors can still assume that they are face to face with a "real" Mona Lisa by Leonardo, but with the understanding that it may no longer be the only one...





(1)   Monna (short for Madonna) is indeed written with a double n, but everywhere and by everyone the name is written with 1 n.
(2)   In 1503, Agostino Vespucci had made a note about the Greek painter Apelles and Leonardo in a book with texts by Cicero kept in the university library of Heidelberg. Like Vasari, he reported that the portrait was unfinished.
(3)   Antonio de Beatis reports on this in his travelogue of October 1517.
(4)   John Eyre wrote that Francesco del Giocondo had already received the portrait (the Isleworth's version) and that Leonardo kept the 2nd version (Louvre) with him and adjusted it continuously.
(5)   Martin Kemp believes that Leonardo's pupils were unable to match their master's finesse, which is why he considers some works (such as Isleworth and Madrid) to be copies.
(6)   Pascal Cotte had noticed the eyebrows and eyelashes in the underlying drawings.
(7)   Apart from the Madrid painting, la Gioconda Montecitorio (Rome) is also considered as a studio copy.

 

Literatuur:
Bramly, S.                    Leonardo : the Artist and the Man.  Londen, 1994.
Burke, J.                      Agostino Vespucci’s Marginal Note about Leonardo da Vinci. 
In: Leonardo da Vinci Society Newsletter (mei 2008).
Cotte, P.                       Mona Lisa dévoilée. Les vrais visages de la Joconde. Parijs, 2015.
Dan, P.                         Le Trésor des merveilles de la maison royale de Fontainebleau.
                           Parijs, 1642.
Eyre, J.R.                      Monograph on Leonardo da Vinci's Mona Lisa (1915).
Feldman, S.                  new revelations | Stanleyfeldman.
Hale, J.R.                      The Travel Journal of Antonio de Beatis. Londen,1979.
Hatfield, R.                  The Three Mona Lisas.  Milaan, 2014.             
Isaacson, W.                 Leonardo da Vinci. De biografie.  Houten, 2017.
Isbouts, J.P.                   The Mona Lisa Myth.  Santa Monica, 2013.£
Isnard, G.                     La Joconde et les Jocondes. In: Le Jardin des Arts, jg.30 (1957).
Kemp, M.                    Leonardo da Vinci: the marvellous works of nature and man.
                                       Oxford, 2000.
Idem & Pallanti,G.        The People and the Painting.  Oxford, 2017.
Lorusso, S.                   Is  the Louvre Mona Lisa Leonardo’s second version?  Rome, 2015.           
Idem & Vitali, A.           Mona Lisa: A Comparative Evaluation of the Different Versions and Their
                                       Copies. In: Historical-technical Journal, vol.15 (2015).  
Marani, P.                     Leonardo da Vinci. Complete catalogus.   Amsterdam, 1989.   
Nicholl, C.                     Leonardo da Vinci. The Fligths of the Mind.  Londen, 2005.
Pallanti, G.                     Mona Lisa revealed.  Milaan, 2006.
Pedretti, C.                     Leonardo, a study in chronology and style.  Berkeley, 1973.
Probst, V.                     Wer ist die geheimnisvoll lächelnde Dame auf  Leonardo
                                    da Vincis Bild? Rätselhafte Mona Lisa - Universität Heidelberg
Sammer, J.                    Salai’s Legacy. In: Leonardo and his outstanding circle (2019) p.167.
Santi, B.                       Leonardo da Vinci.  Firenze, 1975.
Shell, J & Sironi, G.      Salai and Leonardo’s Legacy.
                                   In: The Burlington Magazine, vol.133, nr.1068 (1991).
Van Laerhoven, J.         Leonardo & Michelangelo.   Kermt, 2017.
zie art. Bronnen die “bewijzen” dat Lisa del Giocondo de Mona Lisa van       
            Leonardo was?
zie art. Commentaren bij de verkoop van de Mona Lisa aan koning Frans I.
zie art. In hoeverre heeft zijn verlamde rechterhand op het oeuvre van
            Leonardo impact gehad?
zie art. Kan het portret van Isleworth als een eerdere versie van de
Mona Lisa beschouwd worden?            
zie art. Leonardo da Vinci, Lisa dei Gherardini, Francesco  del Giocondo
            en Giuliano de’ Medici.
zie art. Waarom is de Mona Lisa van het Prado een atelierkopie en geen origineel?
zie art. Was Leonardo da Vinci getrouwd met Isabella van Aragon?
zie art. Wie is de Mona Lisa van Leonardo da Vinci?
Vasari, G.                        Le Vite de' Più Eccellenti Pittori, Scultori, e Architettori da
                                        Cimabue insino a' Tempi Nostri.      Firenze, 1550.
Vinceti, S.                     L’altra Gioconda. I misteri di un capolavoro ritrovato.  Rome, 2016.
Zapperi, R.                      Abschied von der Mona Lisa.  München, 2010.
Zoellner, F.                      Leonardo da Vinci, Keulen, 2000.